Thematisch uitwerkingen door Prof. Dr. Maarten Timmer
C.G. Jung, Carl Gustaf Jung, is de Zwitserse psychiater uit Küssnacht, 1875-1961. Jung ontwikkelde de analytische psychologie. Het psychologische concept van Jung blijkt in overeenstemming te zijn en te zijn gebleven met de (nieuwe) kennis die ontwikkeld is in de ethologie (de gedragsleer bij dieren), in de kinderpsychologie en in de neurobiologie.
De psychologie van Jung rustte op kennis die was ontleend aan een indrukwekkend aantal uiteenlopende bronnen. Jung was buitengewoon belezen. De kennis van Jung betrof onder meer een grondige bijbelkennis, kennis van de Griekse, Germaanse, Egyptische, Indiase en Perzische mythologie, kennis van sprookjes, sagen en legenden, alchemie, gnostiek, primitieve geestesgesteldheid, religieuze symboliek, geneeskunde, patientendromen, geschiedenis van de filosofie, de grote godsdiensten en de kerkgeschiedenis, Vedische en Upanishad geschriften, letterkunde, culturele anthropologie en de bekende bewustzijnspsychologieën. Het psycologische concept van Jung is gebaseerd op diepgaande studie van bovengenoemde kennisgebieden.
Lees verder ‘De analytische psychologie van C.G. Jung’
Door Prof. Dr. Maarten Timmer
Op de Eranosconferentie in 1940 zei Jung: ‘Ik kan mijn gedachten alleen onder woorden brengen zoals ze uit mij opwellen. Het is net als met een natuurgeiser. Degenen die na mij komen, zullen ze verder moeten ordenen’. Dit heeft inmiddels voor een aanzienlijk deel plaats gevonden door de serie thematische geordende publicaties van Jungs werk. Deze thematische uitgaven staan vermeld bij de geraadpleegde literatuur in het boek ‘Van Anima tot Zeus’.
De vele gedachten, beschouwingen, analyses, begrippen, termen en namen die door Jung in zijn werken zijn gebuikt zijn bijeen gebracht en toegelicht in het boek ‘Van Anima tot Zeus’. Het bestuderen van het werk van Jung vergt van de lezer wel enige voorkennis omdat ten tijden van Jung een klassieke opleiding regel was. Om de toegang tot de analytische psychologie van Jung voor de hedendaagse Nederlandse lezer gemakkelijker te maken, heeft Maarten Timmer een encyclopedisch naslagwerk geschreven, waarin vrijwel alle door Jung en zijn acht naaste medewerkers gebruikte begrippen, termen, namen, symbolen en uitdrukkingen zijn beschreven en toegelicht.
Lees verder ‘Van Anima tot Zeus’
Behoefte aan een model.
Om zich in de onzichtbare wereld van de menselijke psyche te oriënteren is het hanteren van een model, een ontwerp, van belang, waarin de onderscheiden gedeelten van de psyche worden benoemd en beschreven in hun samenhang. De functies van de psyche worden in dit model apart beschreven maar ook met de andere delen in verband gebracht. Door de psychologe Jolanda Jacobi,1890, 1973, is met toestemming van C. G. Jung een model van de psyche opgesteld dat behulpzaan diende te zijn bij het bestuderen van de analytische psychologie en bij het werk van de psychotherapeut om zoveel mogelijk eenheid in naamgeving en regelmaat in de verschijnselen te onderkennen. Zij maakte tekeningen van het model die op aparte pagina’s zijn toegevoegd aan deze tekst. De eerste tekening geeft een gelaagde structuur aan. Zoals het lichaam een anatomische geschiedenis van miljoenen jaren heeft, zo heeft het psychisch systeem dat eveneens. Volgens de ontwikkelingsgeschiedenis begon ons bewustzijn in een toestand die we nu onbewust dierlijk zouden noemen. Elk kind herhaalt dit differentiatieproces. Men beseft bij deze ontwikkeling dat bij de overgang van een lager naar een hoger niveau de elementen van het lagere niveau aan zelfstandigheid inboeten, daar zij in een nieuwe structuur worden opgenomen die op iets kwalitatief anders is gericht dan de lagere structuur. Door de ontwikkeling worden oude elementen ‘opgeofferd’ aan de doelstelling van de nieuwe structuur en worden daarin secundair. Een model heeft het nadeel dat het een statische indruk biedt omdat de dynamiek van de psychische processen niet in een dergelijk model zijn aan te geven.
Lees verder ‘Structuur en Functie van de psyche volgens Jung’
Christelijke mythologie in de Bijbel
Veel christelijke mythen en symbolen vinden hun beschrijving in de bijbel. Het Chistendom heeft in de laatste twintig eeuwen een grote invloed gehad op de ontwikkeling van de westerse cultuur. Deze Joods-Christelijke mythologie is een van drie wortels van de westerse beschaving naast de Germaanse en Grieks-Romeinse wortels. Voor een goed begrip van de westerse cultuur is kennis van de Christelijke mythologie van wezenlijk belang. Een groot deel van Christelijke mythen is vastgelegd in de bijbel. Jung was een groot kenner van godsdienstwetenschappen. De bijbel speelde een grote rol in zijn eigen leven en denken, omdat hij grote belangstelling had voor de psychologische dimensie van de Christelijke mythologie. Jung heeft de bijbel meerdere malen ter studie van de Christelijke mythologie aanbevolen.
Lees verder ‘Archetypische voorstellingen in de Bijbel’
In de analytische psychologie van Jung is de aandacht die Jung aan het verschijnsel religie* besteedt opvallend groot. (Een asterix * bij een woord geplaatst wil zeggen dat dit begrip nader wordt omschreven in het boek: ‘Van Anima tot Zeus’). In het voorwoord van zijn boek ‘Antwoord aan Job’ (1952) schrijft hij: “De beweringen in de Bijbel zijn ook uitingen van de ziel”. In zijn boek ‘Herinneringen, Dromen, Gedachten’ (1962) schrijft hij: “Ik ervaar dat al mijn gedachten cirkelen rondom God zoals de planeten om de zon en deze gedachten worden onweerstaanbaar door Hem aangetrokken”. Bij personen en hulpvragende patiënten levend in de tweede levenshelft, dus na het 35ste jaar komen tijdens de therapie naar Jungs vermelding vaak vragen van bezinnende religieuze aard aan de orde. Tijdens de eerste levenshelft is de ego-ontwikkeling aan zet. Opleiding, beroepskeuze, inkomen, huwelijk, woning, gezinsvorming en vorming van een sociaal netwerk zijn dan in volle opbouw. Tijdens de tweede levenshelft komt een andere oriëntatie in het leven aan de orde. Het individuatieproces wordt vanuit het archetype Zelf voortgezet. Er ontstaat dan behoefte om het leven in een groter zingevend en stabiel verband te plaatsen. Men beschouwt nader zijn eigen volk, geschiedenis, cultuur, afkomst en zijn religieuze oriëntering. Wordt deze religieuze ervaring zelf opgebouwd of wordt deze slechts verkregen door navolging, een van horen-zeggen-traditie-religie. Staat het kerkelijk instituut en de Heilige Schrift niet tussen mij en de activiteiten van het Zelf in? Luister ik wel naar de fluisteringen uit de eigen ziel? Deze vragen komen in therapeutische zittingen aan de orde.
Lees verder ‘Religieus besef’
Begrippen, termen en namen met (*) zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus’.
De beschrijving van de primitieve geestesgesteldheid is gekozen omdat het een universeel fenomeen is. Ook de ontwikkelde psyche zoals wij die in het westen kennen blijft deze geestesgesteldheid als basis behouden. Er zijn overeenkomsten tussen de primitieve geestesgesteldheid* en het collectief onbewuste*. Deze overeenkomsten doen vermoeden dat de verbinding van het collectief onbewuste met het bewustzijn tijdens de toestand van primitieve geestesgesteldheid breder en sterker is dan in een ontwikkelingsfase van het bewustzijn waarin het ego sterk domineert en verder is ontwikkeld. Het ego is bij de primitieve geestesgesteldheid nog niet volledig uit het Zelf vrijgemaakt. Er bestaat nog een korte ego-zelf-as*. Bij de primitieve geestesgesteldheid valt op het beperkte en vage tijdsbesef, de sterke voorkeur voor beeldspraak en symbolen en de sterk conservatieve aard van de betrokken culturele context. De invloed van de voorouders is sterk. Het verschijnsel vooruitgangsgeloof komt in de primitieve geestesgesteldheid niet voor. Het collectief onbewuste kent eveneens de dimensie tijd niet, dromen* spreken vrijwel altijd in beelden en de mythische* beelden van eeuwen her komen in hedendaagse dromen nog voor.
Lees verder ‘Primitieve geestesgesteldheid’
Begrippen, termen en namen met een * zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus’.
De weg naar de eeuwige jongeling is uitgezet aan de hand van een drietal samenhangende pericopen, tekstfragmenten met elk een eigen thema. Zij dienen als routepaaltjes voor de gedachtengang. Het betreft:
- Gedachten over het centrale archetype Zelf
- Wervelingen in de sociale omgeving van West-Europa
- Nadere beschrijving van de Eeuwige Jongeling
Lees verder ‘De eeuwige jongeling’
Begrippen, termen en namen met * zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus’.
Ieder symbool kan met ieder ander
symbool worden verwisseld.
Ieder symbool jongt tien andere symbolen.
S. Vestdijk
Ferdinand de Saussure. 18957-1913, een Zwitsers taalgeleerde die van 1881 tot 1891 hoogleraar was aan de Ecole des Hautes Etudes te Parijs stelt dat een woord meerdere betekenissen kan dragen. De woorddrager noemde hij signifiant en de betekenis noemde hij signifié. Als voorbeeld kan dienen het woord leven. Dit kan de betekenissen dragen: biografie, lawaai, prostitutie, het getrappel van een embryo in de baarmoeder en de toestand die het contrast vormt met de dood. Zoals dit met woorden het geval is, is dit ook zo met symbolen. Deze kunnen meer dan één betekenis dragen.
Een enkelvoudig symbool bezit in het verband van een mythe of van een droom zelden een éénduidige, vastgelegde betekenis. Geen enkel droomsymbool kan daarom bij eerste kennismaking direct worden begrepen. Het is niet verstandig om in kant en klaar aangeboden handleidingen voor droominterpretaties te vertrouwen, al kunnen zij U wel ideeën aan de hand doen. Het is de context van het verhaal waarin het symbool voorkomt, die een weg naar de meest waarschijnlijke betekenis kan aanreiken.
Dit betoog gaat over het dragen van een aantal betekenissen van een symbool uiteraard in uiteenlopende contexten. Voorbeelden van meervoudige betekenis van symbolen. De keuze is gevallen op de symbolen:
1. sleutel,
2. voet,
3. slang,
4. boom.
Lees verder ‘Meervoudigheid van symboolbetekenissen’
De droom is een onuitputtelijke bron van spirituele informatie over jezelf.
Joseph Campbel
Met zijn boek ‘Traumdeutung’, 1900, heeft S. Freud het verschijnsel van de droom nadrukkelijk op het psychologisch onderzoeksveld geplaatst. Jung was in dat jaar net begonnen aan zijn psychiatrische opleiding in de Burghölzli-kliniek van Eugen Bleuler. Hij schrijft in dat jaar voor zijn collega’s en mede-assistenten een bespreking van Freuds droomboek. De belangstelling voor dromen heeft bij Jung zijn leven lang stand gehouden. In de analytische psychologie is de droom en zijn interpretatie tot een dominerend, samenhang brengend onderwerp geworden. Dromen en mythen zijn de twee toegangen tot bestudering van het onbewuste deel van de psyche. In een brief van 1954 aan Calvin S. Hall schreef Jung: ‘Gedurende vele jaren heb ik ongeveer 2.000 dromen per jaar zorgvuldig geanalyseerd. In dit materiaal heb ik zodoende enige ervaring opgedaan’. Hij noemde dromen als gloeiende lava waaruit zich de te bewerken steen uitkristalliseert.
Lees verder ‘Droom als bron van symbolen.’
Begrippen, termen en namen met een * zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus’.
De keuze voor het onderwerp ‘Religieuze Projectie’ is voortgekomen uit nabeschouwingen over de tekst van het interview dat John Freeman in October 1959 met Jung heeft gehad. In dat interview (waarvan een video beschikbaar is), krijgt Jung de vraag voorgelegd: Gelooft U nu in God? Jung antwoordt: ‘Deze vraag is moeilijk te beantwoorden. Ik weet. Ik hoef niet te geloven. Ik weet.’ Na uitzending op de BBC radio leidde deze uitspraak tot een groot aantal reacties die door Jung werden beantwoord in een artikel in het tijdschrift ‘The Listener’, Januari 1960. Hij schrijft daarin:”Ik zei in de uitzending niet: ‘Er is een God.’ Ik zei: ‘Ik hoef niet in God te geloven omdat ik weet. Dit betekent niet: Ik weet van een bepaalde God, maar veeleer weet ik dat ik duidelijk word geconfronteerd met een op zich onbekende factor, die ik ‘God’ noem. Ik herinner me Hem, ik roep Hem telkens op wanneer ik zijn naam gebruik als ik overmand word door ergenis of door angst, als ik onwillekeurig zeg ‘Oh God.’ Lees verder ‘Religieuze Projectie’
Aard
Het bezig zijn met alchemie* gedurende meer dan zestien eeuwen is een meersoortige stroom van voorstellingen en symbolen geweest. De alchemisten poogden met waterbaden, zandbaden, oliebaden, fornuizen en retorten een greep te krijgen op de aard van de materie. Zij probeerden door structuurveranderingen van de materie deze om te zetten in glanzend en onverwoestbaar goud. Echter deze transmutatie, veredeling en omzetting, was slechts een bijkomend werk. Behalve het experimentele spoor was er ook een spiritueel spoor. Het Opus Magnum, het Grote Werk, was de veredeling van de menselijke ziel van de alchemist zelf om zo’n zuivering tot stand te brengen dat hij in zijn ziel het Godsbeeld kon weerspiegelen om zo uiteindelijk tot een mystieke vereniging met God te komen. Het doel was om tot een godservaring te geraken. Om dit tot stand te brengen dienden de alchemisten eerst het drinkbare goud (aurum potabile) te vervaardigen. Deze vloeistof zou ziekten verdrijven en veroudering sterk vertragen. De alchemie ging uit van een verbondenheid tussen mystiek en de kennis van de natuur. Lees verder ‘Alchemie in overzicht’
Begrippen, termen en namen met een * zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus.’
Deel I
Inleiding
De uitdrukking van esoterische* kennis, d.w.z. kennis alleen voor ingewijden bestemd, betekent dat de alchemisten onderling hun informatie schriftelijk uitwisselden in een symbolische geheimtaal. Er werd geen gebruik gemaakt van een zo concreet en helder mogelijk beschrijvende taal met scherp onderscheidende begrippen met een vaste inhoud. Men beschouwde de alchemie als een geheime kunst en leer, waarvan de resultaten verborgen dienden te blijven en slechts voorbehouden waren aan ingewijden. Men verborg de kennis zinnebeeldig onder een sluier van geheimzinnige symbolen*, metaforen* en allegorieën*. Ook werd het anagram* wel toegepast. Een woord waarin de letters of fonemen in een omgekeerde volgorde zijn geplaatst of willekeurig zijn gehergroepeerd. De schrijver ging ervan uit dat de boodschap verzonken lag in de tekst en zich pas na grondige studie openbaarde aan de lezer. Men gebruikte vaak mythische* verhalen afkomstig vooral uit de Egyptische, Griekse en Bijbelse mythologieën. Met een dergelijke werkwijze kon geen consistent samenhangend geheel tot stand komen. Alchemistische kennis en vaardigheden werden in de leersituatie van meester tot leerling en onderling tussen de leden van de regionale broederschappen ook wel mondeling overgedragen en besproken.
In de schriftelijke vastlegging komt tot uiting dat de onafhankelijk van elkaar werkende alchemisten er uiteenlopende visies en interpretaties van de waargenomen verschijnselen op na hielden.
Lees verder ‘Symbolen in de alchemie’