In de analytische psychologie van Jung is de aandacht die Jung aan het verschijnsel religie* besteedt opvallend groot. (Een asterix * bij een woord geplaatst wil zeggen dat dit begrip nader wordt omschreven in het boek: ‘Van Anima tot Zeus’). In het voorwoord van zijn boek ‘Antwoord aan Job’ (1952) schrijft hij: “De beweringen in de Bijbel zijn ook uitingen van de ziel”. In zijn boek ‘Herinneringen, Dromen, Gedachten’ (1962) schrijft hij: “Ik ervaar dat al mijn gedachten cirkelen rondom God zoals de planeten om de zon en deze gedachten worden onweerstaanbaar door Hem aangetrokken”. Bij personen en hulpvragende patiënten levend in de tweede levenshelft, dus na het 35ste jaar komen tijdens de therapie naar Jungs vermelding vaak vragen van bezinnende religieuze aard aan de orde. Tijdens de eerste levenshelft is de ego-ontwikkeling aan zet. Opleiding, beroepskeuze, inkomen, huwelijk, woning, gezinsvorming en vorming van een sociaal netwerk zijn dan in volle opbouw. Tijdens de tweede levenshelft komt een andere oriëntatie in het leven aan de orde. Het individuatieproces wordt vanuit het archetype Zelf voortgezet. Er ontstaat dan behoefte om het leven in een groter zingevend en stabiel verband te plaatsen. Men beschouwt nader zijn eigen volk, geschiedenis, cultuur, afkomst en zijn religieuze oriëntering. Wordt deze religieuze ervaring zelf opgebouwd of wordt deze slechts verkregen door navolging, een van horen-zeggen-traditie-religie. Staat het kerkelijk instituut en de Heilige Schrift niet tussen mij en de activiteiten van het Zelf in? Luister ik wel naar de fluisteringen uit de eigen ziel? Deze vragen komen in therapeutische zittingen aan de orde.
Archive for maart, 2008
Begrippen, termen en namen met (*) zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus’.
De beschrijving van de primitieve geestesgesteldheid is gekozen omdat het een universeel fenomeen is. Ook de ontwikkelde psyche zoals wij die in het westen kennen blijft deze geestesgesteldheid als basis behouden. Er zijn overeenkomsten tussen de primitieve geestesgesteldheid* en het collectief onbewuste*. Deze overeenkomsten doen vermoeden dat de verbinding van het collectief onbewuste met het bewustzijn tijdens de toestand van primitieve geestesgesteldheid breder en sterker is dan in een ontwikkelingsfase van het bewustzijn waarin het ego sterk domineert en verder is ontwikkeld. Het ego is bij de primitieve geestesgesteldheid nog niet volledig uit het Zelf vrijgemaakt. Er bestaat nog een korte ego-zelf-as*. Bij de primitieve geestesgesteldheid valt op het beperkte en vage tijdsbesef, de sterke voorkeur voor beeldspraak en symbolen en de sterk conservatieve aard van de betrokken culturele context. De invloed van de voorouders is sterk. Het verschijnsel vooruitgangsgeloof komt in de primitieve geestesgesteldheid niet voor. Het collectief onbewuste kent eveneens de dimensie tijd niet, dromen* spreken vrijwel altijd in beelden en de mythische* beelden van eeuwen her komen in hedendaagse dromen nog voor.
Begrippen, termen en namen met een * zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus’.
De weg naar de eeuwige jongeling is uitgezet aan de hand van een drietal samenhangende pericopen, tekstfragmenten met elk een eigen thema. Zij dienen als routepaaltjes voor de gedachtengang. Het betreft:
- Gedachten over het centrale archetype Zelf
- Wervelingen in de sociale omgeving van West-Europa
- Nadere beschrijving van de Eeuwige Jongeling
Begrippen, termen en namen met * zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus’.
Ieder symbool kan met ieder ander
symbool worden verwisseld.
Ieder symbool jongt tien andere symbolen.
S. Vestdijk
Ferdinand de Saussure. 18957-1913, een Zwitsers taalgeleerde die van 1881 tot 1891 hoogleraar was aan de Ecole des Hautes Etudes te Parijs stelt dat een woord meerdere betekenissen kan dragen. De woorddrager noemde hij signifiant en de betekenis noemde hij signifié. Als voorbeeld kan dienen het woord leven. Dit kan de betekenissen dragen: biografie, lawaai, prostitutie, het getrappel van een embryo in de baarmoeder en de toestand die het contrast vormt met de dood. Zoals dit met woorden het geval is, is dit ook zo met symbolen. Deze kunnen meer dan één betekenis dragen.
Een enkelvoudig symbool bezit in het verband van een mythe of van een droom zelden een éénduidige, vastgelegde betekenis. Geen enkel droomsymbool kan daarom bij eerste kennismaking direct worden begrepen. Het is niet verstandig om in kant en klaar aangeboden handleidingen voor droominterpretaties te vertrouwen, al kunnen zij U wel ideeën aan de hand doen. Het is de context van het verhaal waarin het symbool voorkomt, die een weg naar de meest waarschijnlijke betekenis kan aanreiken.
Dit betoog gaat over het dragen van een aantal betekenissen van een symbool uiteraard in uiteenlopende contexten. Voorbeelden van meervoudige betekenis van symbolen. De keuze is gevallen op de symbolen:
1. sleutel,
2. voet,
3. slang,
4. boom.
De droom is een onuitputtelijke bron van spirituele informatie over jezelf.
Joseph Campbel
Met zijn boek ‘Traumdeutung’, 1900, heeft S. Freud het verschijnsel van de droom nadrukkelijk op het psychologisch onderzoeksveld geplaatst. Jung was in dat jaar net begonnen aan zijn psychiatrische opleiding in de Burghölzli-kliniek van Eugen Bleuler. Hij schrijft in dat jaar voor zijn collega’s en mede-assistenten een bespreking van Freuds droomboek. De belangstelling voor dromen heeft bij Jung zijn leven lang stand gehouden. In de analytische psychologie is de droom en zijn interpretatie tot een dominerend, samenhang brengend onderwerp geworden. Dromen en mythen zijn de twee toegangen tot bestudering van het onbewuste deel van de psyche. In een brief van 1954 aan Calvin S. Hall schreef Jung: ‘Gedurende vele jaren heb ik ongeveer 2.000 dromen per jaar zorgvuldig geanalyseerd. In dit materiaal heb ik zodoende enige ervaring opgedaan’. Hij noemde dromen als gloeiende lava waaruit zich de te bewerken steen uitkristalliseert.
Begrippen, termen en namen met een * zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus’.
De keuze voor het onderwerp ‘Religieuze Projectie’ is voortgekomen uit nabeschouwingen over de tekst van het interview dat John Freeman in October 1959 met Jung heeft gehad. In dat interview (waarvan een video beschikbaar is), krijgt Jung de vraag voorgelegd: Gelooft U nu in God? Jung antwoordt: ‘Deze vraag is moeilijk te beantwoorden. Ik weet. Ik hoef niet te geloven. Ik weet.’ Na uitzending op de BBC radio leidde deze uitspraak tot een groot aantal reacties die door Jung werden beantwoord in een artikel in het tijdschrift ‘The Listener’, Januari 1960. Hij schrijft daarin:”Ik zei in de uitzending niet: ‘Er is een God.’ Ik zei: ‘Ik hoef niet in God te geloven omdat ik weet. Dit betekent niet: Ik weet van een bepaalde God, maar veeleer weet ik dat ik duidelijk word geconfronteerd met een op zich onbekende factor, die ik ‘God’ noem. Ik herinner me Hem, ik roep Hem telkens op wanneer ik zijn naam gebruik als ik overmand word door ergenis of door angst, als ik onwillekeurig zeg ‘Oh God.’ Lees verder ‘Religieuze Projectie’
Aard
Het bezig zijn met alchemie* gedurende meer dan zestien eeuwen is een meersoortige stroom van voorstellingen en symbolen geweest. De alchemisten poogden met waterbaden, zandbaden, oliebaden, fornuizen en retorten een greep te krijgen op de aard van de materie. Zij probeerden door structuurveranderingen van de materie deze om te zetten in glanzend en onverwoestbaar goud. Echter deze transmutatie, veredeling en omzetting, was slechts een bijkomend werk. Behalve het experimentele spoor was er ook een spiritueel spoor. Het Opus Magnum, het Grote Werk, was de veredeling van de menselijke ziel van de alchemist zelf om zo’n zuivering tot stand te brengen dat hij in zijn ziel het Godsbeeld kon weerspiegelen om zo uiteindelijk tot een mystieke vereniging met God te komen. Het doel was om tot een godservaring te geraken. Om dit tot stand te brengen dienden de alchemisten eerst het drinkbare goud (aurum potabile) te vervaardigen. Deze vloeistof zou ziekten verdrijven en veroudering sterk vertragen. De alchemie ging uit van een verbondenheid tussen mystiek en de kennis van de natuur. Lees verder ‘Alchemie in overzicht’
Begrippen, termen en namen met een * zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus.’
Deel I
Inleiding
De uitdrukking van esoterische* kennis, d.w.z. kennis alleen voor ingewijden bestemd, betekent dat de alchemisten onderling hun informatie schriftelijk uitwisselden in een symbolische geheimtaal. Er werd geen gebruik gemaakt van een zo concreet en helder mogelijk beschrijvende taal met scherp onderscheidende begrippen met een vaste inhoud. Men beschouwde de alchemie als een geheime kunst en leer, waarvan de resultaten verborgen dienden te blijven en slechts voorbehouden waren aan ingewijden. Men verborg de kennis zinnebeeldig onder een sluier van geheimzinnige symbolen*, metaforen* en allegorieën*. Ook werd het anagram* wel toegepast. Een woord waarin de letters of fonemen in een omgekeerde volgorde zijn geplaatst of willekeurig zijn gehergroepeerd. De schrijver ging ervan uit dat de boodschap verzonken lag in de tekst en zich pas na grondige studie openbaarde aan de lezer. Men gebruikte vaak mythische* verhalen afkomstig vooral uit de Egyptische, Griekse en Bijbelse mythologieën. Met een dergelijke werkwijze kon geen consistent samenhangend geheel tot stand komen. Alchemistische kennis en vaardigheden werden in de leersituatie van meester tot leerling en onderling tussen de leden van de regionale broederschappen ook wel mondeling overgedragen en besproken.
In de schriftelijke vastlegging komt tot uiting dat de onafhankelijk van elkaar werkende alchemisten er uiteenlopende visies en interpretaties van de waargenomen verschijnselen op na hielden.
Inleiding
In het woordenboek worden mythen omschreven als verhalen over goden en goddelijke zaken binnen een omschreven cultuur. Mythen zijn cultuur-specifiek. De naam mythe is afgeleid van de Griekse term ‘mythos’ dat gesproken woord betekent. Deze naam wijst op de eeuwenlange monde-linge overlevering van de culturele erfenis bij analfabetische volkeren. Beschavingen zijn gegrondvest op mythen.
- Mythen zijn niet door het bewustzijn verzonnen verhalen maar projecties uit het collectief onbewuste, die daarna in het bewustzijn van kunstenaars worden bewerkt tot samenhangende, veelal religieuze verhalen. Het collec-tieve onbewuste opent zich en de geest van de sjamaan, de dichter of de kunstenaar valt erin. Het zijn publieke, archetypische ‘dromen’ van de mensheid. Zij laten studie toe van het onbewuste.
- Mythen zijn betrokken op de oerervaringen van de mens met de hem omgevende wereld, waarin overleven een moeizame zaak is. De zo met fantasiedenken geleidelijk opgebouwde mythische visie op de wereld en de daarmee innig samenhangende bovennatuurlijke, niet-empirische we-reld verandert de buitenwereld tot een uitbreiding van de innerlijke wereld.
- Mythen vormen een innerlijke wegenkaart van ervaringen getekend door mensen die ermee hebben gereisd op hun zoektocht naar waarheid, levens-wijsheid, zin en betekenis.
- Mythen bevatten betekenisvolle inzichten in de ervaren psychische werkelijkheid en doen uitspraken over fundamentele levenszaken zoals die door het betreffende volk worden ervaren.
- Mythen vormen een symbolische benadering van de werkelijkheid op zoek naar een diepere betekenis.
- Veel heldenmythen, waarin de held uit is op oorspronkelijke ervaringen vertellen over de rijping van het individu dat onafhankelijk gaat worden van zijn ouders en leraren. De held gaat op zoek naar een weldaad. Al dat doden van draken en het passeren van drempels heeft te maken met het opheffen van hinderende fixaties. De ridderlijke deugden zijn trouw aan de cultuur, zelfbeheersing in moeilijke situaties en moed.
- Mythen functioneren als een collectief bezit voor onderlinge communicatie van een stam, volk of natie. Mythen verhogen de onderlinge samenhang van een sociale groepering, stam en volk. Voor de antieke mens heeft het met mythen opgebouwde werkelijkheidsbeeld een ‘goddelijke’ betekenis.
- Een levende mythe komt met eigentijdse voorbeelden.
- Mythen zijn poëzie en spreken in beelden.
Enige kenmerken van mythen hierboven zijn ontleend aan Joseph Campbell’s werken.
