Begrippen, termen en namen met een * zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus’.
De keuze voor het onderwerp ‘Religieuze Projectie’ is voortgekomen uit nabeschouwingen over de tekst van het interview dat John Freeman in October 1959 met Jung heeft gehad. In dat interview (waarvan een video beschikbaar is), krijgt Jung de vraag voorgelegd: Gelooft U nu in God? Jung antwoordt: ‘Deze vraag is moeilijk te beantwoorden. Ik weet. Ik hoef niet te geloven. Ik weet.’ Na uitzending op de BBC radio leidde deze uitspraak tot een groot aantal reacties die door Jung werden beantwoord in een artikel in het tijdschrift ‘The Listener’, Januari 1960. Hij schrijft daarin:”Ik zei in de uitzending niet: ‘Er is een God.’ Ik zei: ‘Ik hoef niet in God te geloven omdat ik weet. Dit betekent niet: Ik weet van een bepaalde God, maar veeleer weet ik dat ik duidelijk word geconfronteerd met een op zich onbekende factor, die ik ‘God’ noem. Ik herinner me Hem, ik roep Hem telkens op wanneer ik zijn naam gebruik als ik overmand word door ergenis of door angst, als ik onwillekeurig zeg ‘Oh God.’Sinds ik weet heb van mijn aanvaring met een superieure wil in mijn eigen psychische systeem, weet ik van God en als ik het zou aandurven een ongeoorloofde toekenning van eigenschappen aan mijn godsvoorstelling te geven, zou ik spreken van een God die verheven is boven goed en kwaad, die evenveel in mij verblijft als overal elders: Deus est circulus cuius centrum est ubique, cuius circumferentia vero nusquam. (Latijn: God is een cirkel waarvan het middelpunt overal maar de omtrek nergens is). Deze tekst roept de vraag op: Welk godsbeeld had Jung voor ogen? Dienen wij God te situeren buiten de mens zoals dat in vele godsdiensten wordt voorgesteld of vindt God een plaats in de ziel van de mens?
Jung koos voor het laatste.
Een existentiële hypothese
Knud J. V. Rasmussen, 18791933, Deens poolreiziger en cultureel antropoloog op Groenland bestudeerde de taal en zeden van de Eskimo’s. Hij sprak in 1905 eens met een Eskimohoofdman over de religies van Eskimo’s en van christenen. Hij kreeg op de vraag naar een vergelijking van beide het volgende antwoord: ‘Als iemand met een betere voorstelling en levensleer dan de onze tot ons zou komen en ons zou vragen om zijn woorden te geloven, zouden wij zorgvuldig luisteren. Wij zouden dat bereidwillig doen als wij inzagen dat zijn voorstelling en leer werkelijk beter waren dan de onze. Maar dan zou hij onder ons moeten blijven wonen om ons te leiden naar datgene dat wij niet weten. Ja, vertel ons het juiste en ware en overtuig ons van het ware en echte en we zullen U geloven.’
De Eskimo zag de eigen religie als een existentiële hypothese. Niet als een absolute waarheid. Voor het voortbestaan van mens en volk was zijns inziens zijn huidige religie van groot belang en voldoende werkzaam, maar zij werd inwisselbaar geacht voor een nog sterkere en werkzamere formule.
Van deze stelling om de godsvoorstelling bespreekbaar te achten is dit artikel uitgegaan.
Benadering via de vraag naar het voorkomen van een religieuze projectie.
Bij het kiezen van een context om tot een verheldering leidende benadering van het verschijnsel religie te komen is in een ander artikel gekozen voor die van de psychologisch beschrijvende benadering van het religieus besef * zoals dat door de psycholoog Prof. J. H. Bavinck is beschreven. Het betreft een samenstel van een vijftal gevoelsmatige religieuze ervaringen en behoeften. Het betrof :
- de totaliteitsbeleving of oneindigheidsgevoelens,
- de behoefte aan normering van het leven,
- aan ervaren van leiding in het leven,
- aan verlossing
- een gevoelde betrokkenheid op een hogere macht.
Deze keer is gekozen voor een wijze van benadering, die gericht is op inzichtverwerving in de religieuze projectie als waarnemingsprobleem. De context is afkomstig van de waarnemings-psychologie voorzover deze van belang is voor het verschijnsel van de religieuze projectie.
Beschrijving van het verschijnsel projectie.*
Van het verschijnsel projectie was Xenophanes zich al bewust. Hij was een Griekse, voor-socratische* filosoof die geboren werd in de eerste helft van de zesde eeuw v. Chr. Hij stelde dat als ossen, paarden of leeuwen in staat waren te schilderen of te beeldhouwen zij hun goden in de soortvormige gedaante van ossen, paarden of leeuwen zouden hebben weergeven. Het was hem namelijk opgevallen dat de goden der Ethiopiërs stompe neuzen en zwart haar en de goden der Thraciërs blauwe ogen en rood haar hadden. Deze lichamelijke kenmerken kwamen achtereenvolgens ook bij elk van deze beide volken frequent voor.
Het begrip projecteren is ontleend aan het doen ontstaan van een reëel beeld door middel van een optisch apparaat op een scherm b.v. zoals bij een film of epidiascoop. Deze beeldspraak is geen gelukkige gebleken. Er worden sterke associaties opgeroepen met de werking van deze technische projectieapparaten. Evenals een epidiascoop zou de mens door de lichtbundel van het bewustzijn beelden buiten de mens brengen en ‘op de wereld leggen’. Het is een vertroebelend beeld gebleken.
In feite is er van projecteren in deze betekenis geen sprake. Wij projecteren al waarnemend altijd, maar het betreft in feite het uitblijven van de correctie van de subjectieve elementen die in het waargenomene terecht komen . Wij nemen met onze reflexieve bewustzijnactiviteiten (t.w. overwegen, bedenken, herinneren, vergelijken) de meegeprojecteerde subjectieve toevoegingen, bijkleuringen en weglatingen die door ons als waarnemer bij de waarneming zijn aangebracht niet op tijd en volledig terug.
Projectie betreft het verplaatsen van subjectieve belevingen en dispositie in de geestelijke binnenwereld van de mens naar de voorstellingen van de buitenwereld. Dispositie (Latijn dispositio betekent ordening, schikking) betekent in dit verband de geordende schikking van mentale en psychische aspecten van de persoon, die leidt tot stabiele gedragspatronen.
Het fenomeen projectie kent een aantal verschijningsvormen.
We onderscheiden in dit verband de volgende drie categorieën, waarbij bij 2 en 3 de werkelijkheidszin intact blijft:
- projecties verbonden aan psychopathologische processen.
Hierbij is de werkelijkheidszin van de betrokkene verminderd of gestoord. - Tussenmenselijke projecties.
- Religieuze projecties.
Ad 1 Psychopathologie
Bij pathologische waarnemingsstoornisssen wordt de term projectie gebruikt in verband met hallucinaties*. Dit zijn onwerkelijke ‘waarnemingen’. Een hallucinatie is een waakbewuste zinsbegoocheling auditief (gehoord), visueel (gezien), tactiel (gevoeld) waarbij de erbij behorende fysieke prikkel in feite ontbreekt. De patient kent aan de begoocheling een werkelijkheidskarakter toe. Het betreft de in zijn buitenwereld vermeende geziene beelden ziet of gehoorde stemmen. Een gedachtenbeeld wordt van de eigen persoonlijkheid losgemaakt en omgevormd tot een buiten de persoon gelocaliseerd waarnemingsbeeld. Door de desintegratie van de persoonlijkheidstructuur tijdens het ziekteproces zoekt de patient de oorsprong van de verbeelding niet meer bij zichzelf. De oorspronkelijke verhouding van mens en buitenwereld is door de ziekte verloren geraakt. De inhouden van de meeste hallucinaties worden niet herkend als eigen gedachten. De inhoud er van wordt vaak heftig tegengesproken, zoals bij een stem die aanzet tot zelfmoord.
Deze zinsbegoochelingen treden op als ziekteuitingen van psychotische stoornissen, waaronder met name schizofrenie* en psychosen met paranoïd karakter (paranoïdie is ziekelijk wantrouwen) zijn te noemen.
Voorbeeld: Het ziektebeeld van de schizophrenie kent het samengaan van hallucinaties en waandenkbeelden, b.v in de waan van de ‘wereldondergang’ (Weltuntergangserlebnis). De patient voelt hoe hij geleidelijk het contact met de medemens en met de dingen om hem heen aan het verliezen is, hoe zijn eigen subjectieve gevoelswereld wordt bedreigt door leegte en eenzaamheid. Dit subjectieve gevoel dat door de desintegratie van zijn ego wordt opgeroepen, projecteert hij ‘buiten zichzelf ‘ als de apocalyptische ondergang van de wereld om hem heen, díe weldra te gronde zal gaan. Het uitwendige realiteitskarakter van de projectie heeft alles te maken met een strikt innerlijke uiteenvallende psychische werkelijkheid. Dit laatste is de bron van deze verschijnselen of in Jungiaanse psychologische termen uitgedrukt, een autonoom complex in het onbewuste uit zich in hallucinaties.
Factoren die het optreden van projectie bevorderen
Factoren die het projecteren bevorderen door het terugnameproces van de projecties te belemmeren of anders gezegd factoren die het corrigeren van de subjectieve elementen in de waarneming belemmeren of onmogelijk maken betreffen een al langer bestaande zwakke realiteitszin, zoals bij zwakte van het denken en waarnemen zoals deze bestaat bij debiliteit en beginnende dementie.
Voorbeelden van hallucinaties bij gezonde en bij zieke personen zijn:
Visuele hallucinaties. Het zien van beelden in de buitenwereld. Bekend zijn de visioenen waarover de mystici zoals Jacob Boehme*, Meister Eckhart* en Ruusbroec uitvoerig schreven. Visuele hallucinaties kunnen soms in de vorm van kleurbeelden optreden als bijwerking van geneesmiddelen door chemische prikkeling van de achterkwab van de grote hersenen.
Gehoorhallucinaties. De meest voorkomende hallucinaties zijn gehoorhallucinaties. Deze treden op als stemmen die de patient buiten zich hoort spreken en die hem/haar opdrachten kunnen geven. Dit komt nogal eens voor bij schizophreniepatienten. De stem kan soms betrekking hebben op verdrongen inhouden.
Tactiele hallucinaties : ‘Het is alsof er electrische stroom op mijn huid staat ‘.
Reukhallucinaties. Oudere personen met seniele paranoia ruiken ‘gas’ in hun huis. Dit bedreigende ‘gas’ komt, naar hun zeggen, bij de buren vandaan.
Ad 2. Tussenmenselijke projecties
Tussenmenselijke projecties komen bij geestelijk gezonde personen het meest frequent voor tijdens de omgang in de samenleving. Het ‘Ik’ spiegelt zich in de medemens en in de buitenwereld. Het zijn uitingen van onze onafscheidelijke samenhang met de buitenwereld. De tussenmenselijke projectie is naar haar aard een uiting van een niet-communicatief gedrag ten opzichte van de medemens, want communicatie betekent open zijn voor het anders zijn van de ander. De projecterende mens ziet de ander slechts als een analogon (overeenkomst) van zichzelf en doet zodoende afstand van die ander. Een goedmoedig mens is zo geneigd om alle mensen als goedmoedig te beschouwen. Hij mist de objectiverende afstand, die nodig is om zijn medemensen te zien zóals deze in werkelijkheid zijn.
Emoties*, stemmingen, gevoelens* worden projecterend op medeburgers overgedragen. Men richt ‘buiten zichzelf om’ zijn liefde of haat op een ander dan het oorspronkelijke object van liefde of haat. Men kan ook eigen eigenschappen of strevingen aan een ander toeschrijven.
Voorbeelden van tussenmenselijke projectie
De volkstaal kent de volgende twee spreekwoorden: ‘Chaque peintre fait son propre portrait’, Elke schilder maakt zijn eigen portret. Wie van een ander mens een beeld ontwerpt, heeft de neiging daarin trekken van zijn eigen beeld op te nemen.
‘Men oordeelt een ander vanuit zichzelf’. Men schrijft een ander bepaalde motieven, affecten en verlangens toe, maar beschrijft daarmee onbedoeld zichzelf vaak méér dan de ander.
Zijn eigen diefachtige trek kan de hotelier toekennen aan zijn hotelgasten. Zoals de waard is vertrouwd hij zijn gasten.
Een wantrouwige, jaloerse en naar ontrouw neigende man loochent dit ongewenste stuk van zijn persoonlijkheid, zijn schaduw, en beschuldigt zijn vrouw van ontrouw. In feite betreft het zijn eigen neiging tot overspel die hij aan zijn echtgenote toeschrijft. Zo herstelt hij het evenwicht tussen zijn binnenwereld en zijn buitenwereld. Zijn persona is zo door de projectie ontvlekt geraakt.
Wanneer de mens zijn eigen negatieve eigenschappen of driften projecteert op een ander en daarmee voor zichzelf de illusie schept dat deze eigenschappen niet bij hem behoren, heeft de projectie het kenmerk van een afweerreactie.
Het overdragen van een droeve of blijde stemming op het omgevende landschap komt ook voor. Het brengt de treurende jongeling met zijn liefdesverdriet onder de treurwilg die als een gevoelsmatig passend gekleurde ambiance (omgevingssfeer) functioneert, waarin hij zijn eigen gestemdheid weerspiegeld ziet. De pas geslaagde of de verliefde student ziet opeens zijn wereld en toekomst zonovergoten voor zich liggen. Hij ziet het uitspansel ‘himmelblau, wenn er in ihre Augen schaut’.
Bewondering van een medemens kan betekenen dat de door de bewonderde persoon doorgemaakte ontwikkelingen of zijn behaalde prestaties voor de bewonderaar zeer begeerlijk worden beschouwd om deze ook zelf te verwerven of eens te bereiken. Eigen gehoopte ontwikkelingsstadia worden in de bewondering geprojecteerd.
Soms vindt de projectie plaats op voorwerpen. Een Amerikaanse verkeersfilm stelde : ‘Geef een man een auto dan voelt hij zich een koning’. Zijn archetype ‘held’ wordt geactiveerd en als een held na een gewonnen oorlog rijdt hij met ‘zijn’ auto over Gods wegen. Dorus zong : ‘ Hij rijdt als een vorst door de Jordaan’.
Een projectie op een veel grotere sociale schaal vindt plaats in de politiek. Onder Hitler in de periode 1933-1945 waren talloze Duitsers er rotsvast van overtuigd dat de oorzaak van alle ellende, ( o.m.werkeloosheid, inflatie, armoede, verlies van toekomstperspectief) was toe te schrijven aan de Joodse bevolking. De vijand die soms alleen het eigen land verdedigt wordt door de aanvallers beschreven als de incarnatie van het kwaad.
De mens en zijn vermogen tot projectie
Het kunnen projecteren is een menselijke eigenschap. Projectie is een typisch menselijke complicatie van het waarnemingsvraagstuk. De mens bepaalt door zijn waarnemingen en zijn zintuigelijke ordening met zijn zes zintuigen de wereld op zichzelf (an sich) tot zijn eigen wereld. Door toevoegingen, bijwerkingen en inkleuring gaat de eigen wereld verschillen van de werkelijke wereld. (De zes zintuigen zijn het dominerende gezichtsvermogen, gehoor, reukzin, smaak, tastzin, pijnzin en evenwichtszin). In de literatuur (J von Uexküll, 1956) wordt de eigen wereld wel aangeduid als ‘Merkwelt’ van de mens. Een wereld die met zelfgekozen, passende elementen is opgebouwd. Voor de mens loopt er een duidelijke scheiding tussen de bestaande wereld en de eigen ‘Merkwelt’ met haar objectieve en subjectieve elementen.
Subjectief (Latijn: subjectivus, tot het subject, waarnemer, behorend) berust op bij het subject betrokken zijn. Dier en mens kunnen subject zijn, d.w.z. zij dragen een doel en kenniszoekend centrum in hun bewustzijn. Pas in de achttiende eeuw werd aan de term subject deze betekenis gegeven van het waarnemende en denkende ik. De term object (Latijn: objicere betekent tegenwerpen) kreeg de betekenis van het tegengeworpene, het voorwerp dat bestaat onafhankelijk van het kennende subject.
Een menselijk waarnemend subject richt zijn aandacht en zijn zoekende zintuigen op voorwerpen, gebeurtenissen, invloeden en ‘prikkels’ in de buitenwereld, die met de term object worden aangeduid. Aan deze objecten wordt door het subject na zijn waarneming een betekenis, een interpretatie gegeven. Bij een objectieve betekenisgeving aan objecten streeft men naar een minimalisering van inbreng van het subject (waarnemer) en een maximalisering van inbreng aan ervaringsevidentie, praktische kennis en getoetste wetenschappelijke theoretische kennis betreffende het object.
Bij een subjectieve betekenisgeving vormt het subject zich een oordeel dat in hoge mate met zijn persoonlijke aard, bedoelingen, smaak en voorkeuren in verband kan worden gebracht. De subjectieve aanvullende elementen aan de waarneming completeren en stabiliseren zijn geestelijk evenwicht en dat van zijn wereldbeeld van de buiten- en binnenwereld. De subjectieve elementen brengen zekerheid mee. De subjectieve wereld kan bedreigd worden op twee fronten. Daar waar hij overgeleverd is aan de machten van het onbewuste en daar waar de wereld zich aan hem onttrekt en hij dus houvast moet zoeken tegen de dreiging van het onbekende. De mens moet leven in het schommelend evenwicht tussen binnenwereld en buitenwereld, tussen subjectiviteit en objectiviteit.
Nadere bevorderende voorwaarden voor het proces van projectie.
- Uit zijn doen geraken. Het verbreken of bedreigen van het labiele evenwicht dat de mens zich heeft geschapen tussen zijn binnenwereld en zijn buitenwereld, tussen het profane en het sacrale in de buitenwereld. Fokke Sierksma beschrijft dit evenwicht met het beeld van een wipplank, die op de rand van binnen- en buitenwereld goed in evenwicht dient te worden gehouden. Bij het verbreken van dit evenwicht raakt de mens uit zijn doen. Dit kan plaats vinden bij emotionele stresserende gebeurtenissen tijdens de levensloop, een zogenaamd ‘life event’, zoals b.v. een echtscheiding, overlijden van de partner, ouders, kind of vriend, ernstige riskante of invaliderende ziekte, verkrachting, ontslag, gevangenisstraf, faillisement, verhuizing, emigratie of oorlogsgeweld;
- Een emotionele conditie die bij het projekteren van belang is, zijn de prikkels die uit de binnenwereld komen. Bij het bestaan van een emotionele toestand door b.v. honger, angst, agressie, sexuele gespannenheid, verwachting, zelfverwijt, jaloezie, woede of drift beinvloeden deze emoties, affecten* en stemmingen de affectieve subjectivering van de waarnemingswereld soms langdurig.
Emotie* wordt omschreven als een zielsbeweging waarin ik losgerukt word uit mijn driften en uit mijzelf bewogen word. (Het woord emotie is afgeleid uit het Latijn emoveo: doen schudden, om en om keren).
Bij de mens kunnen archetypen*, die slechts als potentiële structuren in het onbewuste* aanwezig zijn, actief worden in projecties, b.v. een vaderimago of moederimago; - Het functioneren van het excentrisch en centrisch bewustzijn bij de mens.
Het bewustzijnscentrum van het dier werkt centrisch. Het dier staat bewust in zichzelf en maakt deel uit van zijn omgeving. Zijn omgeving omhult het dier. Uit de omgeving van het dier komen zeer vele zintuigelijke prikkels als achtergrondgeruis op hem af. Van deze chaotische hoeveelheid prikkels zijn er maar een beperkt aantal waarop het dier reageert. Zijn ‘Merkwelt’ van belangrijke signalen wordt bepaald door een aantal sleutelprikkels, die voor het overleven van het dier op zijn territorium van wezenlijk belang zijn. Dieren hebben alle een aantal passend afgestemde receptoren, specifieke ontvangers van bepaalde prikkels, (Latijn: recipio is ontvangen) in hun vrijwel gesloten instinctprogramma opgenomen. De sleutelprikkels sluiten zo aan op het instinctprogramma als een sleutel past in het slot. Een dier is instinctief vastgelegd als een locomotief op zijn rails. Als hij aansporing krijgt om te gaan jagen, over te gaan tot paring, territoriumverdediging, vlucht of nestelen werkt het affect,( d.w.z. één of meer innerlijke prikkels die aanzetten tot activiteit, tot spontaan op de wereld afgaan). Het dier gaat uitzien naar de externe sleutelprikkels, waaronder b.v. een knisterend geluid, bewegingen, geuren, kleuren van zijn prooi of diergestalten. De affecten bewerken een concentratie op zijn sleutelprikkels en een inperking van zijn waarnemingswereld. Een vluchtende bij wordt tijdens de haastige vlucht even kleurenblind door de druk van het affect dat door het gevaar is opgeroepen, terwijl zij in rust wel kleuren kan zien. Zij vereenvoudigt in de vlucht even haar wereld. Het dier leeft in bijna volmaakt evenwicht met zijn wereld en met zichzelf.
Voorbeeld van de subjectieve ‘Merkwelt’ van de teek
Als voorbeeld moge dienen de ‘Merkwelt’ van de teek. Een parasitaire mijt die van en op zoogdieren leeft. Uit het oneindig aantal prikkels die de wereld an sich uitzendt, zeeft het dier in zijn instinctmatig zintuigelijke beperktheid er een klein aantal sleutelprikkels uit om op te reageren. De teek heeft vier soorten zintuigen, die zijn afgestemd op sleutelprikkels. Wat niet op haar zintuigen betrokken is bestaat voor het dier niet. De zintuigen betreffen lichtgevoelige cellen, een geurzintuig voor boterzuur, een zintuig voor temperatuursverschillen en een zintuig voor het vaststellen van het onderscheid tussen behaarde en onbehaarde huidsdelen. De teek zoekt langs een dierenpad haar weg naar het uiteinde van een takje of stengel, wacht daar op de geur van boterzuur dat door de huid van zoogdieren wordt afgescheiden. Zij laat zich vallen en constateert dan of ze al of niet goed terecht is gekomen door de temperatuur vast te stellen van de plaats van aankomst. Is dat warm genoeg dan zoekt zij op de huid van het zoogdier met haar tastzintuig naar een weinig behaard deel en boort zich daar in de huid om bloed te zuigen. Na verzadiging laat de teek zich weer vallen in haar natuurlijk evenwicht met haar stabiele ‘Merkwelt’, waarin zij afwacht tot de honger haar weer tot activiteit aanzet en zij weer een takje in de stuiken langs het dierenpad gaat beklimmen.
‘Merkwelt’ van de mens.
De mens ontbreekt het aan een groot aantal instinctieve gedragspatronen. Hij heeft een beperkt instinct met een open rudimentair programma. De mens is voornamelijk aangewezen op aanleren. Er bestaat bij de mens geen instinctieve correlatie, d.i. een wederzijdse onderlinge betrekking of beinvloeding tussen de mens en zijn buitenwereld. De instinctieve stimuli die bij de mens in het bewustzijn komen, worden daar gekanaliseerd, in de teugels genomen en dan pas verzoend in het contact met de buitenwereld gebracht. De mens is aangewezen op aanleren door zijn ouders, opvoeders en opleiders.
Het ego van de mens werkt in zijn waarneming anders dan bij het dier. Het menselijk bewustzijn kent een centrisch en excentrisch deel in zijn egofunctie* van de waarneming*.
Het centrisch bewustzijnsdeel van de mens nader beschouwd
Het centrisch bewustzijnsdeel van de mens is evenals het dierbewustzijn gebonden aan en opgaand in het hier en nu, hic et nunc, gebonden aan de aarde, aan haar bodem om op te wonen, aan de vruchten die de aarde opbrengt, aan de dampkring en haar klimaat. De centrisch ingestelde mens wordt wel beschouwd als een egocentrisch dier, dat zich het middelpunt van zijn wereld voelt. In zijn opgroeien en opvoeding leert hij dat hij níet het middelpunt is, maar één uit velen is. In de buitenwereld leert hij al opgroeiend moeizaam de menselijke eigenschap om de dingen uit de buitenwereld nietopzichzelf te betrekken, maar als zelfstandige grootheden te objectiveren.
Het centrisch bewustzijn is de bron van de subjectieve projecties.
Het excentrisch bewustzijnsdeel van de mens.
Met zijn dominerend excentrisch bewustzijnsdeel kan de mens zich tegenover de buitenwereld opstellen. Hij kan zich distantiëren, afstand nemen, en zich enigzins isoleren van de hem omgevende wereld en ook van zichzelf. Hij gaat het hier en nu te boven. Hij kan zich zelfbewust tegenover de wereld stellen en er ook buiten gaan staan los van de eigen directe noden en driften Deze eigenschap van afstand nemen bevordert het waarnemingsproces zeer. Hij kan weigeren aan de dingen, de objecten en aan het leven, deel te nemen. Hij kan de wereld als iets op zichzelf zien, haar op haar eigen mérites en wetmatigheden onderzoeken, beoordelen, veroordelen, veranderen, geweld aan doen, zoeken of ontwijken. De mens wil weten hoe de wereld eigenlijk in elkaar steekt, want hij wil deze wereld organiseren en stabiliseren om houvast te verwerven en om haar wetmatigheden te leren kennen. Hij kan zich echter maar met een deel er van, een ‘Ausschnitt’ van de wereld vertrouwd maken.
De Romeinen gaven dit aan door het met een ploeg trekken van een pomoerium of sulcus primogenius*, een magische, beschermende oergroeve, die de in cultuur gebrachte veilige gronden scheidde van het ‘unheimische’ oerwoud. De oergroeve scheidde zo zichtbaar de cultuurgronden van de wilde autonome natuur. Ook de binnenwereld, zijn ziel, kan door de mens introspectief* worden geobjectiveerd, zo dat men er los van is. De gehele ruimte van zijn bewustzijn kan hij waarnemen tot aan de grens tussen het bewustzijn en het onbewuste, ook wel genoemd het autonome deel van de psyche (Baynes).
Het onbewuste maakt een teveel aan bewustzijn onmogelijk. Het onbewuste werkt als een stabiliserende kiel aan de psyche* die zorgt dat de ‘boot’ niet kantelt. In de psychologie tracht de mens uit te vinden wie hijzelf eigenlijk is en welke wetmatigheden zijn binnenwereld beheersen. In de natuurwetenschappen tracht hij vast te stellen hoe de buitenwereld eigenlijk is en functioneert. In West-Europa en Amerika is door de activiteit van het excentrisch ego van vele onderzoekers de wetenschap tot bloei gebracht. Wetenschap is gebleken een poging te zijn van de mens om krachtens zijn excentrisch wezen de wereld te objectiveren en te analyseren, deze te veroveren en te beheersen. Hij speurt de eigen wetten van de wereld na om haar in zijn dienst te stellen gewapend met werktuig, gedachte, beeld en taal.
Samenvloeiende dubbelbeelden
Het menselijk bewustzijn werkt altijd gelijktijdig zowel vanuit het centrisch als uit het excentrische deel van de psyche, d.w.z. vanuit de egofuncties* gewaarworden* en denken*. Het voorstellingsvermogen en het denkvermogen blijken nauw met elkaar verbonden te zijn. De mens is een mengsel van vreemde objectiviteit en vertrouwde subjectiviteit en staat tweeledig tegenover zijn wereld en tegenover zichzelf. De objectiviteit schept afstand tot de waarnemingsobjecten. Het subjectieve legt een verbinding tussen mens en object. De mens neigt er toe zijn terra incognita, de onbekende gebieden graag op te vullen met zijn subjectiviteit. Hij weet dat bij de Terra incognita bordjes staan met ‘Hic sunt leones’, Hier zijn leeuwen! Voor de gevaren en onzekerheden achter dat bordje heeft hij zijn vrees. Hij is in staat om zijn geprojecteerde subjectiviteit kritisch te beoordelen op grond van zijn objectieve mogelijkheden.
Zijn binnenwereld. De mens staat met zijn zelfbewustzijn achter zichzelf, waartoe het dier niet in staat is. De mens kan in zelfbeschouwing zichzelf kritisch bezien, veroordelen, beoordelen, idealiseren, verachten, troosten en kwellen. De mens is zó in zichzelf verdeeld.
Zijn buitenwereld. De mens is een wezen dat kan onderscheiden tussen werkelijk en schijn, tussen waar en onwaar, objectief en subjectief. Het is de wil tot waarheid, die leidt tot een scheiding tussen objectieve werkelijkheid en subjectieve schijn. Hij neemt de wereld en zichzelf niet zonder meer aan, maar hij maakt voor zichzelf een wereldbeeld, waarin hij telkens met zijn objectiverend vermogen weer veranderingen aanbrengt, omdat hij overtuigd is dat die veranderingen meer overeenkomen met de wereld ‘an sich’, de wereld zoals zij werkelijk is. Hij zoekt de werkelijkheid achter de schijn. Maar zijn ‘dubbelzien’, gelijktijdig centrisch en excentrisch waarnemen, leidt ertoe dat hij in al zijn naar objectiviteit strevende waarnemingen altijd projecteert, altijd elementen van subjectiviteit meeneemt. Hij projecteert voortdurend. Absolute objectiviteit kent de mens niet. Deze is onbereikbaar.
Religieuze projectie nader beschouwd.
Het bewustzijn van de mens heeft vergeleken met het bewustzijn van het dier een dubbelaspect dat hem doet beseffen dat mens en wereld een verborgen achterzijde, een mysterie, hebben, waaraan een sacraal, numineus* karakter wordt toegeschreven. De excentrische positie brengt met zich mee een zeer ingewikkelde verbondenheid van de mens met zijn wereld.
Ad 3. Het verschijnsel van de projectie in de religie
Dit verschijnsel blijft niet beperkt tot het tussenmenselijk verkeer. Het projectieproces laat zich ook in religiosis gelden, in het gebied waar de mens bezig is een evenwicht te vinden tussen zijn eigen wereld en de wereld waar de goden heersen. Tussen zijn waarnemingswereld en zijn niet-empirische geloofswereld. Dit laatste gebied onttrekt zich aan de excentrische objectiverende waarneming en is daardoor geheel overgelaten aan de subjectieve waarneming. Overal en altijd zoekt en vindt de mens in zijn god zichzelf én dat, wat in hoop en angst zijn macht te boven gaat.
Bij de bespreking van het religieus besef, dat eerder werd toegelicht en een samenstel betreft van een vijftal bovengenoemde gevoelsachtige religieuze ervaringen en behoeften, komt de projectie niet aan de orde. Deze psychologische beschrijving kan worden beschouwd als een religieuze onderbouw waarop elke cultuur haar eigen bovenbouw kan optrekken. Bij dit ontwerpen en uitbouwen van de religieuze voorstellingswerelden komen vele projecties tot uiting.
De mens heeft een wereld van uur en feit om zich heen nodig en beschikbaar, maar daarenboven bouwt hij zich, samen met het cultureel collectief waartoe hij behoort, ook een voorstelling op van een onzichtbare, niet-empirische wereld. Deze voorstelling wordt geplaatst in zijn geest en in de geest van zijn medegelovige familieleden, stamleden en volksgenoten, die samen met hem de cultuurgroep vormen. De mens drukt daarmee duidelijk zijn stempel op het ontworpen beeld van de onzienlijke wereld. Hij wenst zich op deze wijze te oriënteren in de wereld die boven de waarneming uitstijgt. Het menselijke instinct heeft vooral bij sommige religieuze naturen de neiging om zich te oriënteren op deze transcendente gebieden. Tijdens deze werkzaamheid is het religieus geaarde archetype, dat deel uitmaakt van het centrale archetype Zelf*, actief. Deze buitenzintuigelijke wereld is voor de mens onbekend gebied dat buiten de oergroeve, de sulcus primigenius* ligt. Dit gebied is onveilig, onzeker, vaag, het kan niet worden begrensd en is mysterieus van aard. Religie ontstaat aan de rand van ‘s mensen waarnemingswereld.
Definitie van religie
J. van Baal, cultureel anthropoloog, definieert het verschijnsel religie als volgt: ‘Religie betreft al die menselijke uitingen, welke bewust of onbewust uitgaan van het bestaan van een werkelijkheid die anders van aard is dan de aan de mens gegeven, empirisch bepaalbare waarnemingswerkelijkheid. Deze andere werkelijkheid staat met de empirisch bepaalbare werkelijkheid in relatie en wordt op andere dan natuurlijke wijze door haar beïnvloedt.’
De waarneembare wereld krijgt zo een verborgen achterzijde waar ‘iets’ moet zijn. Aan dit verborgen ‘iets’ achter de dingen, de wereld en de mens ontbrandt de religieuze ervaring. De basis van elke religieuze ervaring is de menselijke ontoereikendheid, het zich bewust zijn van zijn kleinheid, onmacht en onvoltooidheid. Tegen de grote machten boven hem is hij niet opgewassen. Die gaan zijn verstand en krachten te boven. Hij weet er geen weg mee en kan ze toch niet negéren. Hij verliest anders zijn zekerheid.
Telkens als de mens uit zijn gewone doen wordt gebracht, kan zich bij hem een religieuze ervaring voordoen. De mens gaat op zoek naar die achterkant van zijn wereld, want hij wil zijn eigen empirische wereld met de transcendente* wereld in evenwicht brengen en stabiliseren. Maar die achterkant is als de horizon, hoe meer men haar nadert, hoe meer zij wijkt. De transcendente wereld blijft hem echter lokken en dreigen.
De mens bouwt zich een voorstelling op van de transcendente geloofswereld. De meridianen van deze onzichtbare wereld ordent hij en brengt ze samen tot een pool. Op dat centrum woont de machtigste god. De Maori van NieuwZeeland vertellen dat achter die horizon de goden wonen, met name hun God Io.
Culturele conditionering.
Men zou een cultuur* kunnen omschrijven als het geheel van de vele, meestal stilzwijgende afspraken die er tussen de leden van een samenleving bestaan. Algemeen menselijke afspraken die in alle culturen gelden zijn er nauwelijks. Het doden van iemand uit de eigen groep en de incestverboden om te trouwen met moeder, vader, zuster en dochter zijn twee algemene verboden. Daarmee heeft men het meeste van de algemeen geldende afspraken wel gehad. Alle andere systemen van regels, normen voor gewenst gedrag, gebaren en afspraken zijn alleen geldig binnen de ruimte van de cultuur van hun oorsprong, waarvan ieder lid van de cultuurgroep weet waaraan hij zich te houden heeft èn weet waarop hij zich kan verlaten.
Iedere cultuur heeft zijn eigen systeem van afspraken, afkortingen, tekenen* en symbolen*, dat in wezen onvertaalbaar is naar andere culturen. Religie* wordt ook door culturele afspraken bepaald. Religie en moraal krijgen door onbewuste, halfbewuste en bewuste afspraken hun structuur. De namen, gestalten en functie van de goden worden in beeld en/of taal vastgelegd. Van de goden Jahweh*, Allah en God de Vader zijn geen beelden gemaakt. Hun gestalten worden in taal uitgedrukt. In de religie kent de mens zijn sleutelprikkels, want in de religie is het te doen om wat de hoogste betekenis heeft ten aanzien van leven en dood, van lichaam en ziel. In culturen met godenbeelden worden deze sleutelprikkels soms sterk vereenvoudigd tot een attribuut, een karakteristiek zinnebeeldig kenteken.
In Japan wordt de grote zonnegodin Amaterasu vertegenwoordigd door een spiegel. Bij de Ibostam in Nigeria(West-Afrika) wordt de vruchtbaarheid bevorderende Grote Moedergodin Ale aangeduid met een eenvoudige aarden pot gevuld met levenswater. Het is een vereenvoudiging ten opzichte van de Grote Moedergodin zoals deze is uitgedrukt in de vele Isjtar* beeldjes uit Babylonië in 1700 v. Chr. Deze godin, die ook Godin van Mari wordt genoemd heeft de gestalte van een staande vrouw met in haar handen een vaas waar het levenswater kan uitstromen. Godenbeelden verwijzen naar de betekenis van de goddelijke machten die heersen o.m. over leven, dood, zon, regen en wind, over storm, vissen, dieren in bos en veld en over de vruchtbaarheid van vrouwen, dieren, akkers, en vruchtbomen, over welvaart en rijkdom, over overwinning in de strijd en genezing van ziekten en wonden.
De dominante culturele thema’s blijken te zijn voeding, huwelijk, ziekte en dood.
Bij de verdediging tegen en de verovering van het onbekende, het oppermachtige vindt ook personificatie van de machten die boven ons zijn gesteld, plaats. Goden worden mensvormig, afgebeeld en/of beschreven. De mens projecteert zijn eigen organische vorm op de godengestalten. Een onzijdige, heilige macht krijgt door de afbeelding een gestalte met een wil. Het personifiëren in de religie van de machten boven ons houdt aanvankelijk de macht over ons op enige afstand, maar biedt tegelijk de mogelijkheid om contact te maken met de onbekende krachten. Men blijft in de personificaties het vertrouwde èn het vreemde ervaren.
Religieuze bezinning doet de mens beseffen dat hij al objectiverend zijn wereld niet sluitend kan overzien. Hij weet dat de wereld achter zijn horizon verder ‘gaat’, maar hij kan die niet beheersen maar begeert wel oriëntatie en stabiliteit. Door een fusie met subjectieve toevoegingen stabiliseert hij zijn waarnemingswereld. Beide delen, het objectieve en het subjectieve, worden in een onbewust proces door de projecties gefuseerd in een bezield verband. Zijn opgebouwde religieuze voorstellingen zullen naar zijn hopen hem gevoelens van zekerheid teruggeven.
Voorbeelden van religieuze projecties.
- Vruchtbaarheid en kindertal
Vruchtbaarheid van vrouw, dier en graangewassen wordt bij vele volken als één samenhangend en ongedeeld verschijnsel beschouwd. Vruchtbaarheidsgodinnen hebben dus een brede functie waartoe ook het voldoen aan vruchtbaarheidswensen voor het vormen van een nageslacht behoort. Eerder zijn al vermeld de Grote Moeder Ale (Nigeria) en Isjtar* (Babylonië). - Vruchtbare akkers
Een godin die de bevloeide rijstvelden vruchtbaar maakt is de Javaanse rijstgodin Dewi Sjri. Zij is met het Hindoeïsme Indonesia binnengekomen in de derde eeuw na chr. Zij is identiek met Lakshmi, de vrouwelijke energie van de god Wisnoe (Vishnu).
De KaroBataks die leven in Sumatra’s Oostkust, hebben een vergelijkbare rijstgodin Siberoe Dajang Mata niari, vertaald Glans der Zon. Als het stralende licht is Siberoe Dajang, die de energie geeft waarmee de rijst kan groeien.
Moeder Mais, de moeder die het leven inblaast. Op de figuur is de top blauw geverfd, waaruit de blauwe kleur langs vier smalle rijen maiskorrels naar beneden loopt. Zij is godin van de levenskracht van de aarde in de voorstelling van de Pawnee Indianen, USA. Zij drukt de stille, onpersoonlijke levensmachten uit in de kolf en de veer in haar beeld. - Dreigende hongersnood
Bij de Eskimo’s leeft de godin Sedna, de ‘Majesteitelijke Vrouwe’ die in de diepte van de zee woont. Van haar is geen beeld bekend. Zij heeft als Meesteresse over de dieren de macht om jachtdieren zoals zeehonden en zeeleeuwen los te laten of vast te houden. Op deze wijze beslist de ‘Geest van de Zee’ over het leven van de mensen die van de jacht leven en bij vasthouden van de jachtdieren door hongersnood worden bedreigd. - De macht over de wereld en de machten die boven de mens zijn gesteld.
De mens is zeer afhankelijk van deze machten en wil gaarne overleg met de goden hierover. De macht hierover wordt door de Sjiwaieten toegeschreven aan de mannelijke god Sjiwa, de schepper van de kosmos. Hij is een lid van het drietal Hindoehoofdgoden, waaronder ontelbare goden van beperkter formaat ressorteren. Sjiwa’s functie is het zegenen van de mensen. Hij is welwillend en zeer gul van aard met welvaart, rijkdom, houdt mensen en vee gezond, geneest ziekten,en vergeeft zonden. Hij vervult veel verwachtingen en wensen van mensen. Zijn symbool is de linga, (phallus) de afbeelding van een penis in erectie. Het drukt uit de glorificatie van het natuurlijke leven en is een teken van de goddelijke en kosmische macht van Sjiwa.(zie figuur 1) - Carrière
De zeer begeerde administratieve functie die de Chinese landbouwcultuur kende, was het na toelating opgeleid worden tot mandarijn, staatsambtenaar van het keizerlijke China. Deze invloedrijke elite had een eigen beschermgod Kw’eiSjing, de god van de examens en daarmee distributeur van ambten. In zijn rechterhand heeft hij een schrijfpenseel, waarmee hij een rode stip zet, die ‘geslaagd’ betekent. In zijn linkerhand houdt hij een goudschuitje als teken van de komende emolumenten, de rijke bijverdiensten naast het karige salaris. De mandarijnen hadden allen een beeldje van deze god in hun huis. - Schepping
De vraag naar het begin van wereld en kosmos is open. Deze toestand zonder verklaring werd en wordt door velen als onbevredigend gezien. Vele culturen hebben daarom een eigen mythisch scheppingsverhaal* door hun dichters laten schrijven. Eén van deze verhalen is dat over de Egyptische god Nun*, die in de wateren van de chaotische oeroceaan zoveel grond loswoelde en bijeenbracht dat hij er de oerheuvel*, een bergeiland mee kon vormen, dat boven het water uitstak.
In deze symbooltaal wordt aangegeven hoe het ego van de mens uit zijn onbewuste werd gevormd. Het eerste begin van de mens wordt in de mythe beschreven als een eerste begin van zijn wereld. - Aardbevingen
In Japan dat nogal eens door aardbevingen wordt getroffen stelt men zich voor dat Japan wordt gedragen op de rug van een meerval, een reusachtige roofvis, die ook eens in de Donau voorkwam, met de naam Namazu. Deze Namazu leeft onder de aarde. Men vertrouwde erop dat de Kasjima god met zijn zware steen het dier voldoende in bedwang zou weten te houden. Na de hevige aardbeving die in 1855 Tokio verwoestte, was het vertrouwen in deze god uitgeput geraakt. Als een god geen vastigheid biedt en machteloos blijkt te zijn, dan dwingt men bescherming af van een duivel. In dit geval het onderwereldmonster Kamazu dat wel macht heeft. Mogelijk is langs deze weg een oplossing, d.w.z. stabiliteit en zekerheid, te bereiken. - Lijden
De Avalokitesjvara is de Bodhisattwa van de genade en het grote erbarmen. Hij heeft de gedaante van een slanke, gracieuze Indiase prins met vele sieraden. In China heeft men van hem een vrouwelijke typisch Chinese godin gemaakt, genaamd Kwanjin, de moeder van erbarmen. Zij past binnen het afsprakensysteem van de Chinese cultuur. Later is zij door de Taoïsten weer tot een Chinese man getransformeerd. In het algemeen zijn in de religie de grenzen tussen mannelijk en vrouwelijk niet zo scherp als men geneigd is te veronderstellen.
In het Christendom is het lijden een centraal motief. Het kent de figuur van Christus als de lijdende godheid, de Man van Smarten met de doornenkroon. - Twijfel ervaren als geloofszwakte
Op tegenstanders van de eigen religieuze voorstellingen en leer, die ketters genoemd worden, worden de eigen zwakheden, twijfels, overtredingen van goddelijke taboes en verboden geprojecteerd. De Europese kerkgeschiedenis kent de omslag van twijfel in ongeremde projectieve agressie. De genadeloze inquisitie roeide de katharen uit tot dat het gebied van de Provence rood zag van bloed.. Later zijn tienduizenden heksen zijn na marteling op de brandstapel gebracht en werden evenals vele ketters verbrand. - Sexuele gespannenheid en impotentie
Tlazol Teotl d.w.z. ‘Zij die vuil eet’, is een godin van de Azteken uit de 15e en 16e eeuw. Zij was geboortegodin en als een wilde onbeheerste godin met nymphomane trekken ‘at’ zij vooral sexuele zonden van het volk en gaf haar volk levenswater. Zij was een zeer manvriendelijke godin. Daar men bij haar priesters maar éénmaal in zijn leven mocht biechten en absolutie kon ontvangen wachtte vrijwel iedereen tot hij oud geworden was. - Rust
Het zoeken van rust als het leven ondragelijk is geworden. De Yaroero Indianenstam uit Venezuela zijn opgejaagd en door blanken uit hun woongebied verdreven. Zij hebben daardoor hun levensperspectief verloren en doen in balingschap niets anders dan langs de rivier hun dagelijks voedsel zoeken en wachten op hun verlossing van alle leed door de dood. Deze schuwe, vogelvrije mensen houden zich zo stil mogelijk want er wordt op hen nog steeds jacht gemaakt waarbij onder hen veel slachtoffers vallen. Zij hebben hun enige hoop en troost gevestigd op het land van de bovenzintuigelijke werkelijkheid waar de godin Koema heerst, die hen na hun dood als een barmhartige Moeder zal opwachten. De sjamaan vertelt in zijn trance over de woorden van troost en bemoediging die Moeder Koema hen toezend en over de toestand van hen die zijn voorgegaan in de dood. - Jachtbuit
Bij jagersvolken is deze buit van vitale betekenis. De godheid ‘Meesteresse der dieren’ genoemd komt voor in zeer veel culturen in een vrijwel gelijke gestalte. In Griekenland heette zij Artemis en was een kuise, door woud en veld dwalende jonkvrouw, die werd geëerd met een berendans. De godin bewaakt dat men slechts zoveel dieren doodt als men werkelijk voor zijn bestaan nodig heeft. - Vuur
De grote betekenis van het vuur, zowel in positieve zin voor het bereiden van het dagelijks voedsel als in negatieve zin in haar destructieve werking van bosbrand, veldbrand en huisbrand heeft in het Hindoeïsme geleid tot een goddelijke personificatie van dit verschijnsel in de hoofdgod Agni* uit de Vedaperiode. Deze god doet structuren opgaan in rook en as. Hij manifesteert zich in de zon, in de bliksem en in het vuur op aarde. Hij draagt het offer naar de goden en bemiddelt zo tussen de mens en zijn goden. - Leiding in het leven
In Labrador, noordoost Canada leeft bij een Algonkinstam de Naskapi ‘De Grote Man’. Hij is de goddelijke ziel van het individu met wie deze in voortdurende communicatie staat. De Grote Man vertelt in welke richting de beste jachtbuit is te verwachten. Hij leidt de mens in al zijn grote beslissingen in zijn leven. In de droom vertelt hij zijn adviezen. Hij wordt afgebeeld als een mandala, de symbolische uitdrukking van het centrale archetype Zelf*. - Begeleiding na de dood
De Griekse god Hermes Psychopompos was begeleider van de zielen van gestorvenen. Nadat eerst de begrafenis zorgvuldig was uitgevoerd bracht hij de zielen naar de oever van één van de vier doodsrivieren Acheron, Styx, Lethe of Kokytus. Deze rivieren omstromen het dodeneiland met de onderwereldtoegang. De ziel wordt daar met het veer van Charon, de veerman, ook wel genoemd man der droefheid, overgebracht naar het voorhof van de onderwereld. Maar onderweg wordt de ziel van de gestorvene eerst een slokje water uit de doodsrivier aangeboden. Daarmee vergeet hij alle verdriet uit zijn aardse leven. De toegang van de onderwereld wordt bewaakt door de driekoppige hellehond Kerberos, die er zorg voor draagt dat niemand naar buiten zal komen. De ingang tot de onderwereld leidt naar een duistere ruimte diep in het hart van de aarde. De onderwereld wordt bestuurd door de god Hades en de godin Persephone. - Goed en kwaad
Jung wijst erop dat verschillende christelijke groeperingen ertoe neigen al het goede dat er in de mens mocht bestaan, te ontkennen. De mens zou niet in staat zijn tot enig goed en alleen tot het kwade zijn geneigd. Al het goede wordt naar buiten geprojecteerd in God die alleen goed is. Wat er nog goed in de mens mocht zijn is niet van de mens afkomstig, maar is uitsluitend de vrucht van Gods werkingen in hem. Het kwade wordt geprojecteerd in de gestalte van Satan.
Literatuur
- Baal, J.van. Over wegen en drijfveren der religie. Een godsdienstpsychologische studie. NoordHollandse Uitgevers Maatschappij. Amsterdam. 1947. In deze studie worden drie godsdiensten verkennend vergeleken. Het betreft de godsdienst van het Marindanim volk van Papua, van het Ngad’a volk, een bergstam op Midden-Flores, Indonesia en de ethische richting in de Nederlandse Hervormde Kerk.
- Sierksma. F. De religieuze projectie. 1956, 1977. Meulenhoff. Amsterdam. Een waarnemings-psychologische studie.
- Sierksma. F. Tussen twee vuren. De Bezige Bij. 1952. Dit boek is een bespreking van de reacties en recensies op het boek ‘De Toekomst der Religie’ door S. Vestdijk.
- Sierksma. F. De mens en zijn goden. De Brug. Amsterdam. 1959. Een bloemlezing van godenbeelden vergezeld van een inleiding.
- Vestdijk.S. De Toekomst der Religie. Van Lochum Slaterus. 1952. Dit boek beschrijft het projectieve karakter van de religie.
- Wending Juli-Augustus 1963. Het verworpen beeld. Dit tijdschriftnummer bevat opstellen over religieuze projectie geschreven door een tiental auteurs.
- Lennep D. J. van. Psychologie van (tussenmenselijke) projectieverschijnselen. Dissertatie. Utrecht 1948.
- Rümke H. C. Karakter en aanleg in verband met het ongeloof. Ten Have. Amsterdam. 1939. 1963.
* In het boek ‘Van Anima tot Zeus’ staat verdere toelichting van de begrippen, termen en namen voorzien van een asterix.
