Aard
Het bezig zijn met alchemie* gedurende meer dan zestien eeuwen is een meersoortige stroom van voorstellingen en symbolen geweest. De alchemisten poogden met waterbaden, zandbaden, oliebaden, fornuizen en retorten een greep te krijgen op de aard van de materie. Zij probeerden door structuurveranderingen van de materie deze om te zetten in glanzend en onverwoestbaar goud. Echter deze transmutatie, veredeling en omzetting, was slechts een bijkomend werk. Behalve het experimentele spoor was er ook een spiritueel spoor. Het Opus Magnum, het Grote Werk, was de veredeling van de menselijke ziel van de alchemist zelf om zo’n zuivering tot stand te brengen dat hij in zijn ziel het Godsbeeld kon weerspiegelen om zo uiteindelijk tot een mystieke vereniging met God te komen. Het doel was om tot een godservaring te geraken. Om dit tot stand te brengen dienden de alchemisten eerst het drinkbare goud (aurum potabile) te vervaardigen. Deze vloeistof zou ziekten verdrijven en veroudering sterk vertragen. De alchemie ging uit van een verbondenheid tussen mystiek en de kennis van de natuur.
Geschiedenis
Het vroegste boek over Alchemie ‘Physica et Mystica’ is omstreeks 200 v. Chr. in Helenistisch Egypte geschreven door Bolos Democritos van Mendes, een Egyptenaar, werkzaam in Alexandrië. Het was een geschrift over natuurkundige en mystieke zaken. Hij schreef over de veredeling van de oerstof, prima materia, die diende te worden omgezet in goud, zilver, edelstenen en purper.
Kleurveranderingen werden als maatstaf genomen om het omzettingsproces te kunnen volgen. Van zwart via geel en wit naar rood. Een klein beetje poeder van de rode Steen der Wijzen zou ieder gesmolten, onedel metaal b.v. vloeibaar lood en kwikzilver omzetten in zuiver goud. In de conservatieve, primitieve wereld was de alchemie een uiting van het waarnemen van en nadenken over de aard van de materie en zij bezat een kiem van het latere vooruitgangsgeloof, dat streefde naar het verwerven van het beheer over natuurkrachten om zo de wereld van de mens naar eigen wensen te kunnen modeleren. Men streefde naar meer welvaart, naar een bestrijding van ziekten, naar verlichting en heil. De alchemie riep hiertoe hoop op. De landen waarin de alchemie ontkiemde en groeide, te weten Egypte, Griekenland en Arabië, waren feodaal bestuurde landbouwgebieden, die afhankelijk waren van het klimaat, terwijl de bevolking bloot was gesteld aan vele ziekteverwekkende kiemen (epidemieën) en natuurgrillen (uitblijvende of overdadige regenval, vulkaanuitbarstingen, sprinkhanenplagen, stormen en hagelbuien). Er werden in de alchemie na de middeleeuwen uitvindingen gedaan waaronder het maken van porcelein, emaille en kristal. De alchemie was vooral een vaandel van hoop en heeft echter niet bijgedragen aan welvaart, langer leven en geluk.
Het alchemieproces ontwikkelde zich in primitieve gemeenschappen met een sterk collectief karakter, waarin men de zichtbare en ervaren werkelijkheid ervoer als direct samenhangend met de onzichtbare, niet-empirische werkelijkheid. De alchemie draagt daar de nodige kenmerken van. We noemen er zeven.
Kenmerk A: het toepassen van de vier elementen theorie
De speculatieve uitgangstheorie was de vier elementen* theorie van Empédocles*, 490-430 v. Chr, en Aristoteles, 384-322 v. Chr. die betrekking had op de elementen aarde, water*, lucht en vuur*, die uit een oerstof zouden zijn gevormd. Empédocles onderscheidde slechts deze vier elementen en stelde dat alle dingen en levende wezens hiermee waren opgebouwd. Goud was de meest evenwichtige samenstelling van de vier elementen. Het omzetten van een element in een ander element werd in deze theorie voor mogelijk gehouden, daar elk element een specifieke combinatie van veranderbare eigenschappen bezat, te weten: koud, warm, droog en nat. Deze inspirende gedachte om elementen te kunnen veranderen is later een magische gedachte gebleken. De theorie betreft feitelijk aggregatietoestanden van vaste, vloeibare en gasvormige stoffen. Vuur is een oxydatieproces en heeft daarmee een andere aard. Deze elemententheorie is later bij verdere verfijning (in de achttiende eeuw) onjuist gebleken en het speculatieve karakter werd openbaar. Een herhaaldelijke toetsing van deze elemententheorie op voldoende vergelijkbare waarnemingen en hun onderlinge consistentie is pas in de achttiende eeuw in West-Europa aan de orde gekomen. Daarvóór geloofde men geheel op basis van gezag en niet zoals in het huidige westen op basis van kritisch getoetste onderzoeksresultaten. Het ‘ipse dixit’, (de autoriteit heeft het zelf zo gezegd), maakte vroeger een eind aan discussies. Zijn uitspraak werd dan een waarheid die niet meer in twijfel kon en mocht worden getrokken. Als een op de werkelijkheid aansluitende theorie niet beschikbaar is kan er ook geen doelgerichte, éénduidige onderzoeksmethode worden ontworpen. Dat laat de alchemie duidelijk zien. Er is nooit een heldere concensus over doel, materiaal en onderzoekweg van de alchemie tot stand gekomen. De doelstelling om mee te werken aan de natuurprocessen om deze te versnellen en om zo tot volmaaktheid te geraken, was vaag genoeg om geen richting aan het onderzoek te geven.
De vierelementen-theorie heeft het wel tot de achttiende eeuw uitgehouden tot dat Lavoisier, 1743-1794, kon aantonen dat deze theorie onjuist was. Hij ontdekte het element zuurstof. Er waren door de Renaissance, 1400-1600 en Verlichting, 1680-1800, duidelijke bewustzijnsveranderingen ontstaan bij de bevolking in West-Europa waarbij de denkfunctie bij steeds meer personen een meer gerichte en extraverte oriëntatie kreeg. De nieuwe elemententheorie leert dat er sprake is van 110 elementen, d.w.z. stoffen die door chemische bewerkingen niet meer zijn te veranderen in twee of meer andere stoffen. De 110 elementen zijn, geordend naar atoomgewicht, samengebracht in het periodiek systeem volgens D.I. Mendelejef, 1834-1907. Daaronder zijn ook de metalen goud, zilver, kwik, koper, tin, ijzer en lood die wel bekend waren bij de alchemisten maar door hen niet werden beschouwd als element. Bij modern wetenschappelijk onderzoek geldt de formule: niets is zo praktisch als een goede theorie.
Kenmerk B: de gehypostaseerde principes.
Een deel van de theorie bevatte de stelling dat men uitging van drie specifieke, sturende krachten in de alchemistische processen. Deze gehypostaseerde* krachten werden principes genoemd, die de namen kregen van (rode en witte) zwavel*, dat als mannelijk en kwik*, dat als vrouwelijk werd beschreven. Later is dit tweetal principes door Paracelsus*, 1483-1541 aangevuld met zout*, dat ook wel met de naam arsenicum werd aangeduid. Deze drie scheidende, selecterende en verbindende agentia werden in staat geacht om de gewenste eindproducten tot stand te brengen. Het bleek later een fictieve voorstelling te zijn. De chemisch activerende krachten blijken in de empirische werkelijkheid van de moderne chemie eigenschappen te zijn van de moderne elementen, ionen en molecuuldelen. Als bijzondere stoffen kent de chemie wel de katalysatoren die chemische processen versnellen en die na afloop van het proces onveranderd zijn gebleven.
Kenmerk C: vermenging met religie.
In de beginfase van de alchemie in Alexandrië in de derde eeuw v. Chr. werd deze visie op de werkelijkheid verbonden met een mythische oorsprong en wel met de Egyptische god Thoth*, de Heer van de tijd en meester over de minerale, plantaardige en dierlijke wereld. Later werd de alchemie ook verbonden met de Griekse god Hermes*, de windgod, de god van vele uitvindingen en de gids bij gevaarlijke ondernemingen. De alchemist* kon zich op de goden beroepen om hem díe kennis te doen ingeven, die hij nodig had bij de uitvoering van zijn werk. Door deze mythische oorsprong werd de alchemie naar zijn aard uitgetild boven de empirische werkelijkheid. Religieuze voorstellingen doorkruisten de waarnemingen. Een kritische bezinning krijgt weinig kans als er niet empirische goden worden verondersteld, waarop mede-alchemisten zich terecht of ten onrechte menen te kunnen beroepen. Magische en religieuze trekken in theorie en onderzoeksmethodiek zijn inadaequaat. In modern wetenschappelijk onderzoek is het scherp uit elkaar houden van waarde-oordelen en zijns-oordelen van wezenlijke betekenis.
Kenmerk D: leven toekennen aan niet levende materie.
Het toeschrijven van eigenschappen die uitsluitend bij levende organismen voorkomen werden ook aan niet-levende materie toegeschreven in de alchemie. Men ging uit van een bezield heelal. De aardschijf werd toen nog beschouwd als het middelpunt van de kosmos. De bezielde natuur streeft uit eigen intentie naar volmaaktheid en de processen die zich op verschillende gebieden van het universum zijn verwant waardoor metalen, mineralen, planten, dieren, zon, maan en planeten op elkaar zijn betrokken. Het verschil tussen levende en niet-levende materie werd niet erkend als een wezenlijk onderscheid. Het hele universum werd als bezield gezien. Het betreft de eigenschappen groei, rijping, voortplanting, veroudering en dood. Metalen werden beschouwd als levende organismen. Volgens deze ‘metaalbiologie’ zouden metalen evenals planten een langzame groei doormaken in de schoot van Moeder Aarde en wel van onzuiver (lood) naar het meest zuivere metaal goud. De geest der wereld, anima mundi*, wordt gevoed door de sterren en geeft voedsel af aan al het levende dat in de schoot van de aarde is geborgen, waaronder de mineralen en de metalen. Er werd tevens een speculatief verband gelegd tussen elk metaal met een god en vervolgens ook met de toen bekende zeven planeten die naar Griekse goden waren genoemd en die later door de Romeinen werden herbenoemd. De metalen werden daarmee in een astrologisch* kader geplaatst. De planeten werden verondersteld invloed op de metaalrijping te hebben. De ontwikkeling liep van lood (Kronos, Saturnus) naar tin (Zeus, Jupiter) naar ijzer (Ares, Mars) naar koper (Afroditè, Venus) naar kwikzilver (Hermes, Mercurius) naar zilver (Maan, Selene, Luna) om te eindigen in goud (Zon, Helios, Sol ). Ook een enigzins andere volgorde wordt wel aangetroffen in geschriften. In het laboratorium van de alchemist werd het mogelijk geacht dit natuurlijke rijpingsproces van metalen te versnellen door er chemische invloeden op in te laten werken en er energie aan toe te voegen en er voor te zorgen de invloed van de sterren en planeten niet te hinderen. Men werkte daarom met een open raam. Een verwant rijpingsproces werd ook verondersteld bij edelstenen. Zo groeide de halfedelsteen uit van robijn tot saffier naar smaragd en verder naar diamant.
Kenmerk E: het weinig gerichte denken.
Een volgend kenmerk is het weinig gerichte denken dat het onderzoeksobject niet stevig op voldoende afstand vasthoudt en waardoor men bij de waarneming en denken gemakkelijk wordt afgeleid. Het leidt tot inconsistente voorstellingen. Dit kenmerk komt o.m. naar voren bij de keuze van het uitgangsmateriaal voor het alchemistische proces. De Materia Prima, de oerstof, waaruit de vier elementen zouden voorkomen wordt in het Lexicon van de Alchemie door Martinus Rulandus uit 1612 beschreven onder 130 namen. Daaronder zijn een aantal concrete aanwijzingen zoals: het sterkste vergif, dauw dat uit de lucht valt en de aarde stimuleert tot vruchtbaarheid, honing die een zoete smaak geeft, verder boter, lood, ijzer, tin, erts, gebrand koper, azijn, bloed, wolk, urine van een jonge knaap waaraan Manneke Pis te Brussel de gedachte levend houdt, mest, de ingewanden van een struisvogel, salamander, embryonaal weefsel en witte rook. Er worden door Rulandus ook veel fantasietermen gebruikt waarvan enige voorbeelden: regenboogdelen, melk van een maagd, delen van een draak, de ziel en hemel van de elementen, delen van de chaos van vóór de schepping, caduceus (de staf van de god Hermes), de zoon van de zon en maan, levenswater, draak, schaduw, de ziel van Saturnus en de zee.
De Prima Materia heeft zo het karakter gekregen van alomtegenwoordigheid. Wanneer er 130 namen van het uitgangsmateriaal aanwezig zijn, is dat een teken van sterke onduidelijkheid. Er is duidelijk geen eenduidige beginstof en het onderling vergelijken van de vele alchemistische proeven en het helder inzicht verkrijgen daarin is dan ook niet mogelijk. De beelden van de Prima Materia zijn afkomstig van de projectie van de individuele alchemist en deze beelden lopen naar hun aard ver uiteen. Zij noemden het projectiebeeld ‘de wortel van zichzelf’. Iedere alchemist koos díe stoffen waar hij iets in meende te zien en werkte er mee verder volgens eigen improvisaties en intuïtie. Een ander kenmerk van het weinig gerichte denken is het hanteren van de analogie waarbij de waarheid van iets wordt afgeleid uit overeenkomstige, ‘rijmende’ feiten. In de primitieve geestesgesteldheid wordt dan tussen de beide genoemde zaken een geheime identiteit aangenomen. Prijzenswaardig is dat de alchemisten actief de handen uit de mouwen staken en gingen experimenteren en zo de stroom van het abstracte speculeren in de studeerkamer naar de achtergrond verdrongen en niet lieten domineren.
De denkwet van de identiteit van de Griekse wijsgeer Parmenides uit de vijfde eeuw v. Chr. luidt: ‘Iedere gedachte is aan zichzelf in elk opzicht gelijk en aan iedere andere gedachte in enige opzichten’ en de denkwet van de tegenstrijdigheid van Aristoteles, 384-322 v. Chr. luidt: ‘In het denken heerst in elk opzicht de eis dat de gedachtengang logisch in overeenstemming is met en voortvloeit uit het voorafgaande. Inconsistenties, tegenstrijdigheden zijn ontoelaatbaar in ieder opzicht.’, waren nog maar bekend bij en erkend door een kleine groep Griekse denkers. De alchemisten kenden deze denkwetten niet. De denkwet van het samenvallen: ‘Waarheid en werkelijkheid vallen samen’, stamt van de wijsgeren René Descartes, 1596-1650, Baruch de Spinoza, 1632-1677, G. W. Leibniz, 1646-1716, en Immanuel Kant , 1724-1804. Toen deze wet algemeen bekend werd, was de ontwikkeling van de alchemie al enige tijd gestopt en verdrongen door de moderne wetenschappen.
Kenwerk F: het vermengen met mythen.
Het kiezen van een vage buitenwerkelijke doelstelling is een volgend kenmer van het alchemistische denken. In vele mythen wordt verteld over een komende samenleving of een duizendjarig rijk dat welvaart en rechtvaardigheid zal brengen. Leven in een armoedige landbouwsamenleving onder een wrede en grillige feodale vorst roept zo’n verlossende ontsnappingsmythe op. De alchemie die als doel heeft gesteld het produceren van een eindproduct dat rijk maakt, de mens gezond houdt, verlichting en heil brengt toont het karakter van een vluchtmythe. Het goudmaken uit andere elementen is onmogelijk gebleken. Het altijd gezond blijven met behulp van de Steen der Wijzen is een magische voorstelling, evenal het onsterfelijk worden en het onzichtbaar worden door deze steen wanneer men die in de holte van de hand houdt, is een onwerkelijke dwaalvoorstelling. Als men de Steen der Wijzen in fijn linnen naaide en dit strak rond het lichaam droeg zodat de Steen der Wijzen warm bleef, kon men opstijgen in de lucht zo hoog men wilde. Om te dalen was het voldoende het linnen een beetje losser te maken.
Het maken van de Steen der Wijzen en goud is een buitenwerkelijke doelstelling, waartoe geen feitelijk precedent in de waarnemingswerkelijkheid voorkomt. Er is geen dergelijke gebeurtenis die vroeger al eens heeft plaats gevonden en waar men zich bij zijn plannen maken kan aansluiten. Het is een aanzet tot een visioen. In werkelijkheid is er in de twintig eeuwen alchemie nooit kunstmatig goud gemaakt en nooit werd een gezondheid herstellende steen of tinctuur geproduceerd.
Kenmerk G: Gildevorming.
Het aanvaarden van een esoterische samenhang van de Alchemisten. Hierdoor is de groepering alleen voor ingewijden toegankelijk. De resultaten van het onderzoek worden als een geheim beschouwd en niet publiekelijk toegankelijk gemaakt. Het bewaren van een geheim roept bij de buitengeslotenen de suggestie op van het aanwezig zijn van waardevolle kennis en macht. Er bestond een overeenkomst met de middeleeuwse broederschappen, gilden van alchemisten, die hen als lokaal gilde het alleenrecht van toelating toekende. Bij een gesloten onderzoeksgroep is de kans groot dat de kritische analyse van het werk in botsing komt met belangen van de deelnemers. Openbaarheid verlaagt deze kans aanzienlijk.
Deel II
Analyse met de modaliteiten benadering
De alchemie kan worden gezien als een meersporenontwikkeling. Bij de beschouwing van het verschijnsel alchemie verheldert dit wanneer men als analytisch instrument gebruik maakt van de indeling van de werkelijkheid en kennis volgens de modaliteiten (wijze van zijn of kennen). Een modaliteit is een analytische doorsnede door de werkelijkheid. Zoals een broodmes een aantal sneden van een brood snijdt zo maakt men met het gerichte analytisch denkvermogen van de mens meerdere dwardoorsneden door de werkelijkheid. Elke modaliteit kent haar eigen wetenschappelijke benadering, waardoor de moderne wetenschappelijke theorieën naar hun aard modaliteitsgewijze zijn geordend evenals de faculteiten van een universiteit dit zijn. Wetmatigheden die in de ene modaliteit door onderzoek zijn aangetroffen zijn niet van kracht in een andere modaliteit. Elk wetenschappelijk onderzoek zal er naar streven om dit binnen de eigen modaliteit te verwerkelijken. Als er objecten zijn zoals het fenomeen gezondheid, dat in twee modaliteiten voorkomt (biotisch en psychisch) dan zullen er twee samenwerkende stromen van onderzoek ontstaan. Het onderzoek aangaande de lichaamsgebonden gezondheid volgt weliswaar een eigen weg maar houdt wel een relatie in stand met de onderzoekingen betreffende de geestelijke gezondheid. Aan de filosofie en aan de structuur van de westerse universiteiten wordt het volgende overzicht ontleend: Overzicht van de dertien Modaliteiten uitgedrukt in corresponderende wetenschappen.
Overzicht van 13 Modaliteiten vs Wetenschappen die daarin zijn ontwikkeld
- Wiskundige modaliteit vs Wiskunde
- Fysische en Chemische modaliteit vs Natuurkunde en Chemie
- Biotische modaliteit vs Biologie
- Psychische modaliteit vs Psychologie
- Historische modaliteit vs Gescheideniswetenschappen
- Linguistische modaliteit vs Taalwetenschappen
- Sociale modaliteit vs Sociologie
- Economische modaliteit vs Economie
- Esthetische modaliteit
- Juridische modaliteit vs Rechtswetenschappen
- Ethische modaliteit vs Ethiek
- Religieuze modaliteit vs Goddienstwetenschappen
De modaliteiten hangen samen want zij zijn alle dertien betrokken op dezelfde waarnemingswerkelijkheid. Elke modaliteit kijkt naar de werkelijkheid door verschillend gekleurde glazen. Zij zijn onderling onherleidbaar. Herleidbaarheid van één tot een andere modaliteit zou de eerste als zelfstandige modaliteit opheffen. Er is een rangorde onder de modaliteiten die deels arbitrair is. Voor de studie van de alchemie is de rangorde van deze dertien voorstellingen met betrekking tot de werkelijkheid van bijkomstige betekenis. In de alchemie staan centraal de modaliteiten: fysische, chemische, biotische, psychische en religieuze. De alchemisten beschikten niet over deze kennis van deze uiteenstellende modaliteitenonderscheiding. In hun onderlinge weinig analytisch georiënteerde gesprekken en geschreven documenten stapten zij vlot van het ene gezichtspunt over naar het andere van chemie naar astrologie, van mythe naar hun pseudo-chemische processen in het laboratorium en van religie naar geneeskunde.
1 Wiskundige modaliteit.
De alchemisten bewogen zich niet op het zuivere gebied van de wiskunde. De wiskunde is de wetenschap die zich met grootheden (rekenen, stelkunde) en met uitgebreidheden (meetkunde) als zelfstandige gegevens bezighoudt. De alchemie hield zich wel bezig met numerologie*, de leer van de getallensymboliek. Aan bepaalde getallen worden verborgen, magische eigenschappen toegeschreven. De bekende, veel gezag dragende Griekse filosoof Pythagoras, ca.582 v. Chr. tot ca 507 v. Chr, die zelf niet schreef, sprak al over de geheimzinnige eigenschappen van getallen en juiste verhoudingen. Hij stelde zich de getallen symbolisch voor in bepaalde gedaanten. De vier als een vierkant, de vijf als een piramide en de zes als een kubus. In de alchemie wordt enige aandacht besteedt aan getallen: één is de bron van alle getallen zoals de gehele schepping voortkomt uit de enige God. De twee verwijst naar de vele paren van tegenstellingen, die de lezer in Jungs ‘Mysterium Conjunctionis’ vindt beschreven, de drie verwijst naar de drie principes, uitvoerig beschreven in ‘Tria Principia’ van Paracelsus*, de vier naar de vier elementen waaruit alle materie is opgebouwd, de vijf is betrokken op de quinta essentia, het vijfde element waaruit de transcendente werelden zijn opgebouwd, de zeven heeft betrekking op de zeven bekende planeten die hun astrologische invloed op de zeven metalen uitoefenen, de twaalf verwijst naar het dozijn beelden van de dierenriem en naar de elders beschreven twaalf alchemistische bewerkingen* zoals deze door vele auteurs zijn opgeven.
In het lemma Quadratura circuli* vindt de lezer een afbeelding waarop de essentie van het Grote Werk in diverse wiskundige figuren wordt uitgebeeld. Een alchemist meet met zijn passer de microkosmos* en de macrokosmos na. De binnenste cirkel, microkosmos, stelt het hermetische vat* of het kosmische ei voor, waarin de symbolen Zon en Maan staan afgebeeld. Het omgevende vierkant stelt de vier elementen voor. De driehoek verwijst naar de drie principes. Diverse meetkundige tekeningen zijn zichtbaar op een papier in de linker benedenhoek van de prent.
2 Fysische en chemische modaliteit
De werkende alchemist* richtte zelf zijn laboratorium in, bouwde zijn eigen oven (athanor*) en fornuis en blies zijn eigen glaswerk (retorten, destillatiekolven, alambiek) en maakte zijn eigen smeltkroezen. Zijn ambachtelijke werk begon hij gewoonlijk in de lente als de bladeren uitliepen en de planeten in een gunstige stand stonden. Want de natuur was dan sterker bezet met de Spiritus Mundi*, de levende en universele energie en deze kon daardoor beter de zaadkrachten ontwikkelen in de materialen waarmee de alchemist werkte. In de herfst werd het werk stilgelegd. Het was dan de tijd van de wijnoogst volgens Hermes.
De alchemistishe bewerkingen* worden in wisselend aantal (7, 10, 11, 12) en volgorde opgegeven. Met de prima materia*, ook wel massa confusa* genoemd in zijn kolf begon de alchemist zijn Grote Werk, met Ars Magna aangeduid en dat beschouwd werd onder hemelse leiding plaats te vinden. Hij zag zijn werk als een sacraal gebeuren. Het zou volgens de ene auteur veertig dagen zorgvuldig arbeiden kosten. Anderen geven veertig weken op, een periode die gelijk is aan de zwangerschapsduur, ook wordt wel een periode van drie, zeven of twaalf jaar genoemd. Daar de naamgeving en beschrijving van elke bewerkingsfase nooit tot een standaardisering heeft kunnen leiden is gekozen voor die van George Ripley, ca 1415-1490. Een bereisde Engelse alchemist (België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Griekenland) die theologie en natuurkunde had gestudeerd. Hij was kanunnik te Bridlington, d.w.z. hij was een seculier geestelijke en behoorde tot een groep die bij een kathedraal of bisschopskerk werkzaam was o.m. in het onderwijs. Zijn schema is overgenomen in het Lexicon alchemiae van M. Ruland, 1612 en is daardoor zeer bekend geworden. De stoffen in de retorten dienden door daglicht te worden bereikt, want de onzichtbare hemelse invloeden en de inwerking van de sterren werden noodzakelijk geacht voor het werk.
De kleur van de retortinhoud werd zorgvuldig waargenomen om de chemische kleurreacties te volgen. Van zwart (nigredo) verliep de kleur naar witachtig (albedo), naar geel (citrinitas) soms veelkleurig als de regenboog en aangeduid met pauwenstaart (cauda pavonis) een symbool van heelheid, doorlopend naar robijnrood (rubedo), de koninklijke kleur van een naderende voltooiïng. Grijs en groen (viriditas) werden als tussenkleuren beschouwd. Van de Steen der Wijzen en het goud wordt vermeld dat deze alle kleuren in zich verenigd hebben en een evenwichtige verhouding van de vier elementen bezitten. In religieuze kerkelijke afbeeldingen komen de kleuren als volgt voor: God de Vader in goud, de Zoon in rood, de Heilige Geest in groen, de kleur die vertroost terwijl de maagd Maria wordt afgebeeld in een blauwe mantel.
Studeerkameralchemisten Als het laboratoriumwerk niet tot het goede antwoord leidt, misschien slaagt men dan in woord en beeld, dacht men aan het einde van de zestiende eeuw. Er werd een splitsingsproces op gang gebracht waarbij het fysisch-chemische empirische werk werd gescheiden van het speculatieve beschouwende werk. Het empirische werk nam daarna sterk af. Uit het speculatieve fantasierijke werk ontsprong een groot deel van de grillige symboliek die in vele verhandelingen werd vastgelegd. Deze speculatieve alchemie richtte zich op de theoretische en mystieke kant van de processen en werd spottend wel kameralchemie genoemd. Onder de beschouwers bevonden zich de schrijvers van de vele manuscripten, die magische verbanden legden en de fantasie niet schuwden. De beschrijving van de ambachtelijke bewerkingen* kunt U elders lezen.De psychologische betekenis van elke fase is beschreven in de syllabus ‘Symbolen in de alchemie’
3 Biotische modaliteit
De alchemist legde vaak een eigen plantentuin aan vanuit de idee dat in de kruiden botanische levenskrachten aanwezig waren die aan de opbouw van de Steen der Wijzen of het Elixir vitae*, levenselixir, konden bijdragen. De bijna altijd mannelijke alchemist meende dat hij, evenals een vrouw leven zou kunnen voortbrengen met zijn alchemistische kunst. Hij plaatste de prima materia*, (spermatozo en ovum) in een verzegelde kolf die de vorm van een baarmoeder had. Een langdurige bewerking, analoog aan de zwangerschap, zou leiden tot het wonder van een transformatieproces en tot het voortbrengen van een homunculus*, een dwergmensje met bijzondere eigenschappen.
Het doel van het Grote Werk was het vervaardigen van de Steen der Wijzen. Deze zou een grote geneeskracht bezitten waarmee alle ziekten genezen zouden kunnen worden en het leven aanzienlijk kon worden verlengd. In een wereld rond het begin van de jaartelling kwamen frequent voor: epidemieën (periodiek massaal voorkomende infectieziekten, zoals pokken, pest en cholera) en endemieën (altijd locaal aanwezige infectieziekten, zoals tuberculose, typhus, influenza en malaria), hongersnoden bij sprinkhanenplagen, uitblijvende regen en incidentele natuurrampen (watersnood, hagelbuien, stormen). De gemiddelde levensverwachting bij de geboorte bedroeg eeuwenlang 35 tot 40 jaar. De Steen der Wijzen en het levenselixir vormde een opening naar een meer glorieuze toekomst. De alchemie schiep hoop voor velen en maakte initiatieven vrij om meer zicht te krijgen op de materie en buitenwereld. In de zeventiende eeuw was de levensverwachting echter nog van dezelfde orde als aan het begin van de jaartelling. De ‘geneesmiddelen’ die tot stand waren gekomen kwamen deels voort uit een verkeerde uitleg en vertaling uit het Arabisch in het latijn en bleken giftig en vaak dodelijk voor de zieken. Het laboratoriumwerk bracht zijn eigen risico’s mee. Een te hoog opgevoerd vuur kon soms de werkplaats doen afbranden, de werker treffen met brandwonden en soms werd de alchemist het slachtoffer van een explosie. Dominici Parodi, een alchemist in Genua stierf omsteeks 1670 door het inademen van giftige gassen uit zijn eigen distilleerkolven. Tijdens het werk kregen enkele alchemisten hallucinaties en visioenen. Mogelijk waren hierbij ook psychische factoren van belang.
4 Psychische modaliteit
Er is grond om te vermoeden dat het bij enkele alchemisten in de oudheid al daagde dat er sprake was dat hun werk op een of andere wijze samenhing met de menselijke psyche en haar functies. Zij veronderstelden een verband en analogie tussen de materiële processen in hun retorten en hun psychische ervaringen, voorstellingen en invallende ideeën tijdens hun werk in het laboratorium. De intentie van de alchemist was veel wijder dan het maken van goud. Hij wilde zijn ziel en geest doen rijpen door dit werk. ‘Om het ‘gouden’ begrip te verwerven diende hij de ogen van zijn geest en psyche goed open te houden en voldoende te mediteren bij het licht dat God in den beginne had gelegd in de natuur en in onze harten.’ (Museum Hermeticum, 1678).
De projectie* brengt een onbewuste identiteit aan tussen de psyche van de alchemist en de bewerkte substantie in de kolven. Tijdens hun praktische werk hebben er bij alchemisten incidenteel ook fantasieën, optische illusies, hallucinatoire en visionaire waarnemingen plaats gevonden, die samenhingen met projecties. Mogelijk hebben dromen en droomvisioenen soms als bronnen van openbaring gewerkt. De projectie gaat uit van het individu en is daarom in ieder geval anders. Over de prima materia was het projectiebeeld zeer uiteenlopend en daardoor spraken de alchemisten elkaar eindeloos tegen. Deze onbewuste belevingen laten zich moeilijk verwoorden en dit zal hebben bijgedragen aan de geheimzinnigdoenerij in hun schriftelijke teksten.
Aniela Jaffé schreef in 1968 in de inleiding van de catalogus van de Paul en Mary Mellon collectie over Jungs benadering van de alchemie het volgende: ‘De materie was voor de alchemisten een geheim, een mysterie. Het is een psychologische regel, dat het onbewuste zich constelleert telkens wanneer een persoon wordt geconfronteerd met iets onbekends. Nieuwe psychische inhouden komen op in de vorm van denkbeelden en vermengen zich met het onbekende object, dit schijnbaar tot leven brengend en begrijpelijk makend. Dit constelleren gebeurde er ook met de alchemisten. Wat zij ervoeren als eigenschappen van de materie was in werkelijkheid de inhoud van hun eigen onbewuste. De psychische ervaringen die zij hadden als zij werkten in hun laboratoria kwamen hun voor als het speciale gedrag van de chemische stoffen. Hoewel de speciale zorg van de beoefenaren met de materie kan worden beschouwd als een serieuze poging om de geheimen van chemische omzettingen aan het licht te brengen, was het tegelijkertijd en vaak in overweldigende mate, de weerslag van een parallel verlopend psychisch proces. In de alchemistische symboliek drukten de uitbeeldingen van een innerlijk transformatieproces zich uit in pseudo-chemische taal. Zo kwam het dat de alchemist nog een tweede mysterie projecteerde op het mysterie van de materie dat hij poogde te verklaren, te weten zijn eigen onbekende psychische achtergrond’. De alchemist schreef vaak over een ‘tussenrijk ‘ van een subtiele werkelijkheid tussen materie en geest, dat alleen maar toereikend door symbolen kon worden uitgedrukt. Deze modaliteit, die in dit verband centraal staat, wordt nader besproken in een apart artikel: ‘Symbolen in de alchemie’.
5 Historische modaliteit
De wortels van de alchemie zijn prehistorisch van aard. Deze worden pas historisch in China, Egypte, India, Perzië en Arabië. Het beginpunt van de westerse alchemie wordt gelegd bij de priesters van het oude Egypte als voorlopers in de derde eeuw v. Chr. Er is daarmee sprake van een religieuze oorsprong. De tweede periode met o.m. Zosimos, ca 300 na Chr. en Maria de profetes, vond plaats in de derde en vierde eeuw na Chr. De Arabische alchemie bloeide in de tiende en elfde eeuw en kwam via het binnendringen van de Arabieren in Spanje en Italië naar Europa. In de tiende eeuw stichtte kalief Hakam II een bibliotheek te Cordova, de hoofdstad van het westelijk kalifaat, en vanaf die tijd stamt de bloei van de alchemie in Spanje. In de twaalfde eeuw werd te Toledo in Castilië een College van Vertalers opgericht die Arabische teksten in het Latijn vertaalden. In West Europa begon de alchemie pas daadwerkelijk vanaf de twaalfde tot zestiende eeuw. Haar bloeiperiode viel in de periode ca 1550-1650. Vanaf ca. 1470 verschenen de eerste alchemistische geschriften in druk. Toen waren Arabische werken in Spanje en Sicilië uit het Arabisch in het latijn vertaald en er werden ook Griekse manuscripten in het latijn vertaald. De oudste vertaling van ‘Tabula Smaragdina’ * (Tablet van Smaragd) dateert uit de twaalfde eeuw.
Aan het eind van de middeleeuwen kwam de alchemie voor op de ranglijst van de officiële wetenschappelijke disciplines, al werd zij nooit betrokken in het universitair onderwijs. In de zeventiende eeuw werd de alchemie hevig aangevallen door de opkomende moderne wetenschappelijke benadering en werden de onjuiste uitgangspunten en voorstellingen aangetoond. In de achttiende eeuw toen de werkelijkheidservaring steeds verder empirisch, logisch en analytisch van karakter was geworden werd de speculatieve, fantasierijke alchemie omver gehaald. De elemententheorie bleek onjuist en te eenvoudig. De materie werd gedesacraliseerd. Er werden doelmatige methoden ontworpen en toegepast om de aard van de stof te doorzien en om deze naar wens en gelegenheid te veranderen. De alchemie heeft voor de middeleeuwen en enige eeuwen daarna een grote cultuurhistorische betekenis gehad.
6 Linguïstische modaliteit
Typerend voor de taal van de alchemisten is het symbolische beeld en de paradox. Beide stemmen overeen met de ongrijpbare aard van het leven en de onbewuste psyche. Daarom wordt er bij voorbeeld gezegd dat de ‘steen geen steen’ is en men bedoelt daarmee te zeggen dat de ‘steen’ tegelijk een religieus begrip is. De ‘steen der wijzen’, de ‘lapis’ is ook een symbool van Christus. De overvloed van alchemistische teksten is globaal te verdelen in twee groepen : 1. Latijnse vertalingen van Arabische teksten, die dateerden uit de elfde eeuw en via Sicilië en Spanje Europa waren binnen gekomen en daar o.m. in Toledo werden vertaald. De auteurs hiervan bleken hele paragrafen en bladzijden van Griekse alchemisten woordelijk te hebben overgenomen. Er werd veelvuldig van elkaar overgeschreven want auteursrechten bestonden niet in een collectief georiënteerde samenleving. 2. Latijnse teksten van westerse alchemisten, die later ook in de volkstalen uitkwamen. Deze dateren uit de twaalfde en dertiende eeuw en later. Er bestaat een enorm aantal ( ca.9000) alchemistische teksten die verspreid zijn over vele bibliotheken en die merendeels in het latijn zijn gesteld. Slechts een klein deel ervan is uitgegeven.
De alchemist wilde niet tegen de wil van God ingaan, noch tegen het belang van de wetenschap en formuleerde daarom, zo stelde hij, de kennis van het geheim zodanig dat een willekeurig iemand de tekst niet kon begrijpen en misbruiken. De verhandelingen werden opzettelijk met raadselachtige zinnen ondoorzichtig gemaakt. Er ging van de geheimzinnigheid een suggestie uit dat er achter de tekst waardevolle kennis verborgen was en dit riep de verwachting van macht op. In feite hadden de alchemisten op het gebied van de chemie nauwelijks iets te verraden. Er behoort, schreef een alchemist, steeds aan de deur van de werkplaats een met vlammend zwaard gewapende schildwacht te staan om alle bezoekers te inspecteren op hun waardigheid om toegelaten te worden. Daarom stelde men, moest de kennis achter geheimzinnige symbolen worden verborgen. In deze bedoeling zijn de alchemisten geheel geslaagd. Het is gelukt het niet bestaande geheim niet in handen van de massa van oningewijden te laten vallen die het mogelijk zouden misbruiken. Het lezen van alchemistische teksten is zeer moeilijk daar de teksten in symbolische* taal zijn gesteld.
Deze talrijke symbolen bleven eeuwenlang onveranderd in gebruik. De bronnen waaruit men putte en waarnaar men refereerde liepen uiteen van ambachtelijke receptuurboeken tot medische verhandelingen, natuurfilosofische geschriften, astrologisch-magische bronnen, neoplatonische en gnostische teksten, hermetische, joodskabbalistische bronnen, mythen van Egyptische, Bijbelse, Griekse en Hindoese oorprong en ook legenden. Zeer ontoegankelijk worden teksten gemaakt door zinnebeelden halverwege een beschrijving af te breken en deze aan te vullen met fragmenten van zinnebeelden uit een geheel andere context. De lezer krijgt dan de gewaarwording twee of meer werkelijkheidsgebieden, modaliteiten*, tegelijkertijd te beleven. Men schreef met veel zinnebeelden, metaforen, personificaties, allegoriën, paradoxen en zelfs met anagrammen. Een anagram is een woord of woordgroep waarvan men de letters of fonemen heeft omgekeerd of hergegroepeerd. Zie het achrostichon Vitriol*. Bij het lezen was er een voortdurende onzekerheid of een bepaalde beeldspraak een verhulde pseudo-chemische aanwijzing bevatte of dat het een verwijzing was naar een spirituele beschouwing.
Men lichtte dit taalgebruik toe met de formule: ‘Het is een dwaasheid om kropsla aan een ezel te geven als die genoegen neemt met distels’. Onder elkaar wisten de alchemisten hun vermeende kennis wel enigzins te bespreken. Alchemisten werd wel verweten dat zij door gezochte onduidelijkheden zich wilden laten doorgaan voor grote wijze mannen. ‘Men belooft pitten en geeft schillen’. Een staaltje ter illustratie uit een alchemistische tekst: Het boek van de twaalf poorten van G. Ripley: ‘Verander en los op de echtgenoot tussen de winter en de lente, verander het water in een zwart hoofd en verhef u door de verschillende kleuren naar het Oosten, waar zich de volle maan vertoont. Na het vagevuur verschijnt de Zon, wit en schitterend.’ De lezer mag uitzoeken wat dit betekent.
7 Sociale modaliteit
Vanaf het begin was er in veel lagen van de Egyptisch en Griekse bevolking belangstelling voor de alchemie. De alchemisten waren uitgesproken solitairen. Iedere alchemist spreekt over zijn werk op een eigen manier. Zelden hadden ze leerlingen. Daarnaast behoorden in West-Europa veel leden van de clerus tot de alchemisten. Monnikken en priesters hadden een opleiding genoten en lazen latijn en hadden veel belangstelling voor de religeuze stroom van de alchemie. Er waren franciscanen, benedictijnen en capucijnen onder de alchemisten. Verder waren er alchemisten onder de handwerkslieden, goudsmeden, geneeskundigen, apothekers, astrologen, edelsmeden en leden van het hofpersoneel van vorsten en pausen. Alchemisten behoorden tot de armen, want zij hadden wel kosten voor het werk maar verwierven nauwelijks inkomsten. Zij reisden veel en ver om beroemde alchemisten te bezoeken om er iets van op te steken en om hun eigen reputatie te verhogen. De alchemisten die naam hadden gemaakt omdat zij de pretentie voerden dat zij al eens een metaaltransmutatie tot stand hadden gebracht ontvingen veel belangstelling van bezoekers. Onderweg sloten deze zwervende alchemisten zich zo mogelijk aan bij pelgrimsgroepen en profiteerden zo van de pelgrimsvoorzieningen voor voeding en overnachting. Er waren ook alchemistische concentraties zoals in de steden Parijs en Praag, waar een alchemistische broederschap hele straten bezat. Hier dienden de huizen als laboratoria en als verzamelpunten. In de kring der alchemisten gaf de bekendmaking dat men de formule om goud te maken of de Steen der Wijzen had gevonden prestige en invloed.
8 Economische modaliteit
Rijke burgers investeerden soms hun gehele fortuin in alchemistische experimenten die hen zo sterk bezielden dat zij hun gehele bezit aan vruchteloze onderzoekingen spendeerden en hun leven in de grootste armoede eindigden. Hun geld was stilaan letterlijk in de ovens in rook opgegaan. Velen zijn er financieel aan ten onder gegaan, kwamen tot armoede en in het armenhuis, terwijl er maar weinigen rijk van zijn geworden. Vanaf het begin van de alchemie in de derde eeuw heeft er steeds een relatie bestaan tussen de alchemie en de financiële wereld. Talrijke vorstenhoven in Duitsland (Saksen, Pruisen), Zweden, Engeland, Frankrijk, Denemarken, Spanje en Italië waren centra voor alchemie en het munten was daar officiële praktijk. De behoefte bij vorsten aan geld dat uit een arme bevolking van boeren heel beperkt als belasting kon worden binnengehaald, zou wellicht door goudmakende alchemisten wel bevredigd kunnen worden.
De duizenden valsemunters waren immers bedreven in het maken van legeringen en het goudkleurig tinten van munten. Onder de hoede van een vorst werd hun werk legaal. Echter het frauderen met de materialen en het anders uitleggen van de bedoelingen van de vorst was riskant. Wanneer een hofalchemist op fraude werd betrapt volgde ophanging, de dood op de brandstapel, radbraken of onthoofding. Met de vele geproduceerde munten van een dubieuze legering vergrootte de vorst zijn uitgaven en de geldcirculatie. Wanneer de vorst ten strijde trok met een goed betaald leger was er voor hem land, buit en eer te winnen. De spanning tussen het zoekwerk van de alchemisten en de behoeften van de vorstelijke schatkist was zo groot dat de Kamer van de Munt in opdracht van vele vorsten vrij vaak een beroep deed op alchemisten. Zij bleken in staat om het gewicht van het aan hen toevertrouwde goud met dertig procent te doen toenemen. Augustus, keurvorst van Saksen, 1526-1586, liet bij zijn dood in de staatsschatkist zeventien millioen talers na die met behulp van zijn valsemunters waren vervaardigd. Gustaaf II Adolf, koning van Zweden van 1611-1632, had ook een aantal begaafde valse munters in dienst, die zijn financiële zorgen met zilveren en gouden munten hielpen verlichten. De zorg voor een inflatie door een steeds groter wordende geldsomloop zonder toename van productie van landbouw en handel schoof de vorst door naar zijn opvolgers.
9 Esthetische modaliteit
Muziek.
Op de illustratie getekend door Heinrich Khunrat, 1560-1605, van een laboratorium, die geplaatst is bij het lemma: De alchemist en het onbekende*, liggen een viool, een luit en een open muziekboek. Muzikanten werden, als er geld was, door de alchemist uitgenodigd, om het werk muzikaal te begeleiden ‘om zo de elementen op muzikale wijze te verbinden’. Harmoniën in de muziek zouden verwant zijn met de harmonie van de elementen. Vele alchemisten deden vóór het begin van hun experimenten niet enkel een beroep op de hulp van de godheid maar ook wel op de muziek. W.A. Mozart 1756-1791, heeft zijn opera ‘Die Zauberflöte ‘ in 1790-1791 gecomponeerd op het libretto van zijn oude vriend Emanuel Schikaneder. Dit libretto berustte mede op oriëntaalse sprookjes van de dichter C.M. Wieland, die echter grondig werden bewerkt tot de overgenomen figuren en teksten goed pasten in een alchemistische visie. Het blijkt dat aan deze opera een spiritueel alchemistisch concept naar Paracelsus, 1493-1541, ten grondslag ligt In het toenmalige Wenen werd de ambachtelijke alchemie nog frequent beoefend.
Beeldende kunst.
In de gedrukte alchemistische teksten komen sedert 1546 veel gravures voor ter toelichting. Na de boekdrukkunst in zwart en wit kwamen de inkleuringen niet mee in druk, zodat het oorspronkelijke manuscript voor veel lezers toch de voorkeur behield. Er werden veel prachtige gravures gemaakt bij de teksten. Enkele werken waaronder ‘Mutus Liber’ (zwijgzaam boek) is uitsluitend uit platen samengesteld die de fasen van het Grote Werk uitbeelden. Bekend om zijn prachtige illustraties is het werk van Michael Maier, 1568-1622. ‘Atalanta fugiens’ (vliegende admiraalvlinder) uit 1619. De titel verwijst naar de Griekse mythische figuur Atalanta, die door een berin is gevoed en opgroeit temidden van een jagersvolk. Zij munt uit door snelheid. Op de renbaan verliest zij echter van Hippomenes, die drie gouden appels uit de tuin der Hesperiden heeft bemachtigd en deze tijdens de wedloop voor Atalanta uit laat rollen. Zij raapt deze op, verliest snelheid en verliest zo de wedren.
Schilderijen De Vlaamse schilder Jan van Eyck, ca 13901441, was een vernuftig alchemist en ontwikkelde in 1410 het schilderen met etherische olieën. Op een aantal van zijn schilderijen komen alchemistische symbolen voor. De Nederlandse schilder Hiëronymus Bosch, 1450-1516, is bekend door zijn schilderijen waarop de wereld symbolisch wordt waargenomen. ‘De tuin der lusten’, ‘De verzoeking van Sint Antonius’ en ‘Het laatste oordeel’ zijn schilderijen waarin hij veel symbolen, deels van alchemistische aard weergeeft. Hij was vertrouwd met de alchemistische denk- en voorstellingswereld. Op zijn schilderijen komen voor o.m. de specifieke alchemistische symbolen: ei, bewoonde bol, distilleerkolven, vliegende vaartuigen, holle eiken, pad, hert, everzwijn, fontein en bergtoppen waar men goud en zilver vindt. Ook Pieter Bruegel de Oude, ca.1528-1569, wordt beschouwd als een mede door de alchemie geïnspireerde schilder. Hij was nog beinvloed door de animistische, mythische en mystieke kijk op de wereld die de middeleeuwen kenmerkte. Op zijn schilderijen ‘De Ondeugden’, (Gramschap, Traagheid, Hovaardigheid, Onkuisheid), ‘Dulle Griet’, ‘De val van de opstandige engelen’ komen duidelijke alchemistische symbolen voor als holle eik, athanoor, hert, pad, bewoonde glazen bol, paringen, fontein met elixir en drie homunculi.
Keramiek. De alchemisten Lascaris, een monnik van Griekse oorsprong en de in Saksen geboren Böttger,1682-1719, hadden door geslaagde experimenten van pottenbakkers in Venetië (1470) en Florence (1565) belangstelling gekregen om het Chinese porcelein na te maken. Het zoeken naar goud werd veranderd in het speuren naar de samenstelling van het Chinees porcelein om dit na te maken. Op een kasteel van Augustus II, de keurvorst van Saksen, 1670-1733, bij Meissen werkten de beide alchemisten die er in 1710 in slaagden wit porcelein van hoge kwaliteit te maken. De keurvorst richtte in Meissen toen een porceleinfabriek op.
Schrijvers. Een aantal schrijvers heeft inspriratie ontleend aan alchemistische thema’s waaronder Rabelais, 1495-1553, Cyrano de Bergerac, 1619-1655, J. W. von Goethe, 1749-1832, in zijn alchemistische drama Faust, Honoré de Balzac, 1799-1850, en Arthur Rimbaud, 1854-1891.
Architectuur. Alchemistisch geïnspireerde architecten brachten in enkele bouwwerken alchemistische symbolen aan op middeleeuwse gebouwen. Bekend zijn die bij de hoofdingang van de Notre Dame te Parijs.
10 Juridische modaliteit
Onder de alchemisten kwamen sedert de oudheid al oplichters voor. De Italiaanse dichter Francesco Petrarca, 1304-1374, schreef al : ‘Wie U goud belooft gaat er met het uwe van door. Uw huis en voorwerpen zullen in beslag genomen worden door zonderlinge gasten. Je zult er overal leugenaars, huichelaars en spotters aantreffen’. De oplichters suggereerden meer dan zij waar konden maken. Zij werden aanvankelijk geloofd omdat vorsten als regel zeer om goud verlegen zaten. Als het werk van de bewaakte alchemisten tot niets leidde kwam de aanvankelijk goede trouw aan haar eind, de onmacht van de alchemist werd doorzien en hij werd beschuldigd van oplichting. Echter veel vorsten en heersers in West Europa namen handige en listige alchemisten in hun dienst en gaven het valse geld voor echt uit ten einde er hun maatregelen mee te kunnen financieren. Soms leidde dit tot pogingen om het geheim uit de alchemisten te martelen.
Zo pleegde de alchemist David Beutler, werkzaam aan het hof van de keurvorst van Saksen Frederik Augustus I, regerend van 1694-1733, zelfmoord om aan de herhaalde folteringen om hem zijn ‘geheim’ af te dwingen, te ontkomen. Xaintonge, een omstreeks 1580 gesnapte alchemist in het Franse bisdom Xaintonge die vierhonderd valse penningen van goede kwaliteit klaar had liggen om uit te geven vertelde aan de officier van Justitie dat er 160 mannen in het bisdom hetzelfde beroep als valsemunter uitoefenden en hij kende allen bij naam, woonplaats en specialisatie. De officier ging niet tot vervolging over omdat er zich verschillende rechters, schouten en schepenen uit een aantal omliggende streken onder bevonden, die wel een middel zouden vinden om hem te doden als hij tot vervolging overging.
De sedert de oudheid al gebruikte en meest voorkomende bedriegerijen waren het geven van een goudkleur aan munten of voorwerpen door het aanbrengen van twee bedekkende lagen en het maken van legéringen die voor goud konden doorgaan. Voor de juristen bestond er de moeilijkheid dat alchemistische munten wettig waren wanneer deze met de goedkeuring van de vorst werden vervaardigd. Enige voorbeelden :
Caetano. Een schoolvoorbeeld van zo’n veroordelingsproces, gekozen uit vele, is het proces Caetano. Dominico Emanuele Caetano, 1667-1709, was de zoon van een boer tevens goudsmid uit de omgeving van Napels. In 1695 verliet de zoon Napels daar hij verdacht werd van valsmunterij en nepgoudmakerij. Hij trok naar Venetië en Verona waar hij aan goedbetalende personen de kunst van het goudmaken wel wilde leren. Hij kon op tijd uit Venetië weer wegkomen zonder arrestatie. In Verona werd hij toch gearresteerd maar later op voorspraak van paus Innocentius XII, 1691-1700, weer vrijgelaten. Via Spanje en Brussel, vanwaar hij weer moest wegvluchten, kwam hij terecht bij het hof van de keurvorst van Beieren, Maximiliaan II Emanuel, 1662-1726, waar hij werd aangesteld als onderzoeker naar het maken van goud. Caetona beschikte over een aanzienlijke begroting en had veel vrijheid van beweging. Hij boekte lange tijd geen succes en werd na twee vergeefse vluchtpogingen in de gevangenis van de burcht Grünwald bij München vastgezet. De vorst probeerde door marteling bij Caeteno tevergeefs het recept uit hem los te krijgen. Na anderhalf jaar slaagde hij erin de burcht te ontvluchten en naar het Saksische gebied te ontkomen. Hij keerde later toch weer terug naar Beieren en ging daar werken in het klooster Reitenhaslach in Burghausen. Hij werd daar opnieuw gearresteerd en vervolgens in 1704 weer vrijgelaten. Hij kwam toen terecht aan het hof van de Pruisische koning Frederik I, 1653-1713, te Berlijn. Het wantrouwen bij de koning voelde hij snel groeien en hij vluchtte weg. Maar in Franfurt aan de Main werd hij al gearresteerd en op een burcht gevangen gezet. Het vonnis luidde: Veroordeeld tot de dood door ophanging. Het einde van zijn oplichtersleven vond plaats te Küstrin waar hij op 23 Augustus 1709 om 11 uur aan een met klatergoud beklede galg werd opgehangen. Hij droeg een zwart pak dat was volgeplakt met lovertjes van klatergoud.
Cagliostro. ‘Graaf’ Alessandro Cagliostro, 17431795, was de zoon van een bankroete handelaar. Hij ging in de leer bij een apotheker en verliet in 1769 zijn geboorteplaats Palermo. Als goochelaar en oorkondevervalser probeerde hij zich een inkomen te verwerven. In Messina wijdde een Griek hem in in de alchemie, waarna hij naar Rome reisde en daar huwde hij een attractieve schoonheid Lorenza Feliziani, die voortaan als aandacht trekkende helpster meewerkte bij zijn bedriegerijen. Zijn vrouw bevorderde de toegang tot interessante mensen. Hij benoemde zichzelf tot Majoor in het Pruisische leger. Nadat dit aan de autoriteiten in Bergamo bekend werd, werd hij uitgewezen. Hij kwam in Londen terecht waar hij als goudmaker, wondergenezer en geestenbezweerder aan de slag raakte, maar weinig verdiende. Zijn reis ging verder naar Frankrijk, België, Duitsland, Italië en Spanje zonder daar een rijke sponsor te kunnen vinden. Hij werkte vooral met de ‘Steen der Wijzen’, waarmee hij beweerde niet alleen goud te kunnen maken maar ook zieken te kunnen genezen, vrouwelijke schoonheid en verjonging tot stand te kunnen brengen. In 1776 slaagde hij erin om de Londense samenleving nieuwsgierig te maken naar zijn rijke levensstijl, die hij met voorschotten financierde. De voorspoed was van korte duur. In 1777 hield hij mysterievoorstellingen in Den Haag, die veel geld opbrachten. De verdere reis ging naar Sint Petersburg en Warschau, 1780, met beperkt succes. Verder ging de reis naar Parijs in 1785 met veel succes. Hij kreeg daar toegang tot de hoogste kringen. Een verwikkeling met een halsbandaffaire leidde tot arrestatie en gevangenhouding in de Bastille. Na vrijlating ging hij naar Rome waar bleek dat men genoeg van hem had. Hij werd in 1791 wegens ketterij en oplichterij met het goudmaken ter dood veroordeeld. Hij ontving gratie waardoor de straf werd omgezet in kerkerstraf. Zijn mooie vrouw werd in een klooster opgenomen. Hij is in 1795 gestorven waarschijnlijk na wurging tijdens een poging om zijn goudbereidingsrecept af te dwingen.
Jean de Gallans. Geld verdienen zonder te werken. Koning Karel IX van Zweden, 15501611, werd in 1604 koning van Zweden. Hij sloot ten bate van zijn lege schatkist een overeenkomst af met de alchemist Jean de Gallans om voor hem 120.000 pond te vermenigvuldigen. In dit bedrag was ook de begroting voor het onderzoekswerk opgenomen. Deze oplichter meende dat dit bedrag voldoende was voor hem en ging er mee vandoor. Hij werd opgespoord, teruggebracht en tot de galg veroordeeld. Zo’n kortsluiting op rijkdom bleek te vlot en te gevaarlijk.
Alexander Sethon. De alchemist Sethon, ca 1540-1606, was van Schotse afkomst en werd bekend door het bezit van projectiepoeder. Dit poeder werd beschouwd als vijlsel van de Steen der Wijzen. Sethon had de bereidingswijze van goud geleerd bij de Nederlander Jacob Haussen. Deze was in 1601 door Sethon als drenkeling uit zee bij de Schotse kust gered. Toen Sethon in het bezit was van het poeder begon hij in 1602 door Europa te reizen. Hij bezocht Italië, Duitsland en Zwitserland. In Bazel trachtte hij Johann Wolfgang Dienheim, 1587 – 1630, professor te Freiburg en Jacob Zwinger, 1569-1610, professor te Bazel van zijn mogelijkheden en talenten te overtuigen. Zij namen zelf een proef met getuigen waarbij Sethon alleen richtlijnen gaf. Uit de proef kwam zuiver goud te voorschijn en de beide hoogleraren waren overtuigd van de juistheid van zijn recept. Zij gaven daarmee aan Sethon geloofwaardige referenties. Hij werd in 1603 door zijn sponsor Christiaan II, keurvorst van Saksen, die van het experiment had gehoord, in een zware toren van een middeleeuws kasteel te Dresden gevangen gezet. De vorst zag in Sethon’s goede recept voor het maken van goud een doelmatig middel, dat van een niet te onderschatten waarde kon zijn voor zijn rijk. Sethon werd daartoe stevig geradbraakt en gefolterd om hem zo zijn geheime recept voor het maken van goud af te persen. Het martelen bleef zonder resultaat. De poolse alchemist Michael Sendivogius, 1566-1646, hielp Sethon te ontsnappen uit de toren en kreeg daarvoor enig projectiepoeder van Sethon als dankbaarheidsgift. Sethon leefde na zijn bevrijding nog twee jaar.
Anderen Markgraaf Georg Wilhelm liet in 1692 ‘baron’ von Krohneman op het schavot onthoofden wegens alchemistische oplichting van de hertog en tevens van zijn generaal, die hij 10.000 gulden had afgeperst. Haudicquer de Blancourt werd in Parijs in 1701 wegens bedriegelijk alchemistisch werk veroordeeld tot dienst op de galeien. Hertog Julius von Brunswijk liet in 1575 een alchemiste op de brandstapel zetten en in 1590 een andere alchemist-capucijn onthoofden.
Trucages De goudmakers beschikten over een aantal methoden om hun geloofwaardigheid te vestigen en te onderhouden. De vervalsingslisten waren de volgende: De smeltkroes werd vóór het experiment bedekt met een laagje goud dat vervolgens werd bedekt met smeltkroespoeder, dat vermengd was met gomwater zodat de bodem er authentiek uitzag. Na afloop werd dan het goud getoond dat zogenaamd door de goudmaker tot stand was gebracht. Het stoppen van goudvijlsel of goudkorrels in uitgeholde staafjes van houtskool of hout die met was of houtzaagsel weer werden afgesloten. Het verstoppen van goudkorrels in steenkoolbrokjes werd ook toegepast. De brandstof verdween in het proces en na afloop ervan bleef er goud in de smeltkroes over. De grondstof van brokken lood, antimoon of koper konden worden voorbewerkt. Daarin kunnen kleine deeltjes goud onzichtbaar worden weggestopt. Het vermengen van goud met lood, antimoon of kwikkalk of het vermengen van goud in glas dat nog niet in de oven gesmolten was was een vierde mogelijkheid. Men diende bij toezicht op alles te letten dat door de handen van de alchemist ging. Daar het proces soms langer dan een dag duurde kon er soms des nachts wanneer vaak het toezicht wat minder was door een lid van het hulppersoneel enig goud in de smeltkroes worden gesmokkeld.
11 Ethische modaliteit.
Hij die aan het Grote werk wil arbeiden moet zijn wezen reinigen van onharmonische ‘vooringenomenheden’ afkomstig van de profane wereld. De werkelijke alchemist ziet God in alle dingen en verandert het slechte van de wereld in het goede. Als gij de Steen der Wijzen wilt zoeken wees dan zonder zonde, volhardt in de deugd totdat uw geest verlicht is door de waarheid.’ Het Grote Werk was gericht op het herstel van de mens in zijn oorspronkelijke waardigheid. Hiertoe werd van de alchemist een ascetische levenshouding en integere levenspraktijk gevraagd. Een goed geordend ascetisme zou de alchemist zuiveren terwijl hij bezig was de materie in zijn kolven langzaam te zuiveren. In de loop van de tijd ontwikkelde zich onder alchemisten een beroepscode die van belang was voor het aannemen van nieuwe leerlingen in de opleiding en inwijding. Er werden een aantal toelatingseisen geformuleerd voor deze (zeer schaarse) nieuwelingen. Bij zo’n gelegenheid werkten de gestelde eisen (half)bewust mee aan het zelfbesef van de alchemist. Van zijn zelfbeeld werden de eisen afgeleid. Zo kwamen de volgende toelatingswensen tot stand. Men diende te beschikken over een gezonde fysieke conditie, want het werk eiste soms het langdurig aanhouden van het vuur in een stoffige omgeving. Een hoog ambitieniveau was noodzakelijk evenals kracht tot volharding want vlotte weglopers passen niet in dit ambacht. Integriteit werd geëist want de ‘beroepsgeheimen’ die tijdens de opleiding werden opgedaan dienden te worden bewaard en niet ten eigen bate te worden verkocht. Voorzichtigheid in het denken was vereist want de gedane waarnemingen konden vaak op meerdere wijzen worden uitgelegd en dat vergde een zorgvuldige doordenking. Nederigheid en geduld bevorderden de opleiding daar de leerstof complex van aard was en verbaal werd overgedragen door de meester alchemist. De vereiste materialen die nodig waren voor het werk diende met de nodige nauwkeurigheid te worden afgewogen en klaar gemaakt. Men diende de stof al werkend tot een samenhangend geheel samen te stellen. Standvastigheid in het geloof was nodig daar het Grote Werk ter ere van en onder leiding van God werd uitgevoerd. Het werk bracht een aantal verleidingen met zich mee, waaronder het leugenachtig verkondigen dat men erin geslaagd was om goud te maken en dit vermogen ten dienste van vorsten die in eeuwig geldgebrek verkeerden, winstgevend uit te oefenen.
12 Religieuze modaliteit
De alchemist zocht het ‘geheim van God’ in de onbekende stof en kwam daardoor terecht bij methoden en op wegen, welke op die van de tegenwoordige psychologie van het onbewuste lijken. Ook deze ziet zich tegenover een onbekend objectief fenomeen – het onbewuste- geplaatst. Alchemie heeft een theologie met een syncretistisch* karakter ontwikkeld, d.w.z. dat er in de religieuze dimensie ervan religieuze en wijsgerige beschouwingen van uiteenlopende herkomst en context tot een synthese kwamen zonder tot consistentie te geraken. Egyptische, Griekse, gnostische en christelijke voorstellingen werden in de westerse alchemistische visie opgenomen. Vanaf haar oorsprong bij de Egyptische priester onder gezag van de farao vond het werk plaats in een gewijde ruimte onder de naam van goddelijke kunst. De goden Isis, Osiris, Horus en Thoth werden in de alchemie betrokken. De laatste werd in de Griekse tijd gelijkgesteld aan de Griekse god Hermes*.
In de tweede tot vierde eeuw had de gnostische* stroming invloed op de alchemie. In die tijd ontstonden de Hermetische* geschriften waartoe het Corpus Hermeticum* en Asclepius behoren. Jung beschouwde de alchemie als een onderstroming van het christendom. De christelijke leer stroomde aan de oppervlakte. De filosofische alchemie van de middeleeuwen moet worden gezien als een van het onbewuste uitgaande compensatorische beweging tegenover het christendom. Het rijk van de natuur en van de materie had in het christendom geen plaats en geen adaequate waardering gevonden, integendeel natuur en stof dienden te worden overwonnen. Zo is de alchemie een donker, primitief spiegelbeeld van de christelijke voorstellings – en gedachtenwereld. Zoals de droom behulpzaam is bij het wijzigen en matigen van de conflicten in het bewustzijn, zo geeft de alchemie aan de gelovige christen de kans zich deels los te maken van de tirannieke kerkleiding met haar onwrikbare en absoluut verklaarde kerkleer, die aan zijn persoonlijke religieuze beleving onvoldoende ruimte liet.
Een groot deel van de West-Europese alchemie na de elfde eeuw speelt zich af in de door de Rooms-Katholieke kerk gedomineerde middeleeuwse cultuur. De neiging tot sacraliseren, het als heilig beschouwen, bestond al bij de alchemisten in Alexandrië, waar de god Thoth de eer van het initiatief kreeg. Meestal begint elke tekst met de aanroeping van de Godheid om inspiratie te ontvangen en eindigt de tekst met :’Ootmoedig betuig ik Hem die deze geheime weg wijst, glorie, macht, eer en roem.’ Veel alchemisten voerden in hun werkplaats een leuze als: ‘Ora et Labora’, (bid en werk); ‘Niet door mij maar door de genade van de almachtige God’; of ‘ Heer, hoe groot zijn uw werken’. Het sacraliseren kan beschouwd worden als een neiging om de verantwoordelijkheid niet bij een individueel persoon te leggen maar bij een collectief te laten berusten. Een primitieve samenleving laat een individualisering van zijn leden niet of zeer beperkt toe. Een projectie naar een buitenwerkelijk, transcendent punt relativeert de verantwoordelijkheid van het individu. Er waren in de latere middeleeuwen veel priesters en monniken onder de alchemisten die hun religieuze beleving door de alchemie hebben laten beinvloeden.
