Christelijke mythologie in de Bijbel
Veel christelijke mythen en symbolen vinden hun beschrijving in de bijbel. Het Chistendom heeft in de laatste twintig eeuwen een grote invloed gehad op de ontwikkeling van de westerse cultuur. Deze Joods-Christelijke mythologie is een van drie wortels van de westerse beschaving naast de Germaanse en Grieks-Romeinse wortels. Voor een goed begrip van de westerse cultuur is kennis van de Christelijke mythologie van wezenlijk belang. Een groot deel van Christelijke mythen is vastgelegd in de bijbel. Jung was een groot kenner van godsdienstwetenschappen. De bijbel speelde een grote rol in zijn eigen leven en denken, omdat hij grote belangstelling had voor de psychologische dimensie van de Christelijke mythologie. Jung heeft de bijbel meerdere malen ter studie van de Christelijke mythologie aanbevolen.
De Bijbel
De Bijbel stamt diep uit de eeuwen en het omvat de beste stukken uit de Joodse literatuur vanuit een cultuur van het Algemeen Menselijke Patroon* (zie Geschiedenisschets*). De Bijbel heeft door verspreiding vele nationale, ethnische en generatiegrenzen overschreden en wordt duurzaam van hoge waarde geacht door zeer velen. De inhoud is van grote invloed geweest en is dit nog steeds voor vele miljoenen mensen in de wereld. Vele duizende onderzoekers (linguïsten, historici, archeologen, godsdienst-wetenschappers, theologen, mythologen e.a.) hebben hun leven geïnvesteerd in het verwerven van inzicht in de teksten van de Bijbelgeschriften. De Bijbel is het grondigst wetenschappelijk onderzochte boek in onze wereld.
Vele soorten mensen, kunstenaars, dichters, schrijvers, schilders, beeldhouwers, filmmakers, wetenschappers, priesters en predikanten, historici, taalkundigen, filosofen, mythologen, psychologen, psychotherapeuten e.a., werden en worden nog steeds uitgedaagd door dit boek en treffen in dit boek onderwerpen aan voor hun aandacht, onderzoek en bezinning.
Woordafleiding van het woord Bijbel
Het woord bijbel is afgeleid van het uit het Egyptisch overgenomen Griekse woord biblos. Een boekrol van papyrus werd biblos genoemd. Later werd alle schrijfmateriaal zo genoemd en vervolgens verschoof de betekenis van het woord biblos naar de tekst die erop geschreven was.
De afzonderlijke boeken van het Oude Testament van Genesis tot Maleachi worden biblion genoemd. Het meervoud van ‘biblion’ was het woord biblia, dat de algemene aanduiding werd van de Heilige Schrift of het Woord Gods. In het Nederlands is het woord biblia in Bijbel omgezet.
De oudste geschriften werden met een puntig schrijfriet op dierenhuiden aangebracht en tot een rol samengesteld. Later, omstreeks 200 v. Chr., werd dit materiaal verfijnd in de stad Pergamum in Klein-Azië (hedendaagse Turkijen) en werd het perkament genoemd. Het kwetsbare papyrus werd in de loop van de tijd door het meer duurzame perkament verdrongen. De Romeinse Keizer Constantijn I, 274-337 na Chr., die het christendom tot geoorloofde godsdienst in zijn rijk verhief en het Concilie van Nicea samenriep in 325, wenste dat de Bijbel in vijftigvoud door beroepsschrijvers op perkament zou worden vastgelegd en dat deze teksten zouden worden verspreid in de kerk. Deze opdracht vergde ca. 4.500 huiden van slachtdieren om het hiervoor nodige perkament te leveren. Perkament werd vervaardigd van met kalkmelk behandelde ongelooide huiden van lammeren, schapen, kalveren en geiten.
Schrijven van de Bijbel
De Bijbel kan men evenals mythen en sprookjes, beschouwen als een collectief product, met name het Oude Testament, waarvan de verhaalelementen grotendeels stammen uit een niet meer te reconstrueren verleden. Aan ieder geschrift hebben een aantal auteurs, een schrijverscollectief, meegewerkt. De Bijbelse verhalen zijn bewerkte, aangevulde en geherïnterpreteerde ‘oerverhalen’ die door de vertellers, meestal door meerdere onbekende auteurs, op schrift werden gesteld. De aanvankelijk mondeling overgeleverde verhalen werden na lange tijd vanuit het geheugen schriftelijk vastgelegd. Een deel van de geschriften werd later geselecteerd voor de canon, de officiële kerkelijke versie. Het hoofdthema van de Bijbelse verhalen is de verhouding van de mens tot zijn God en de geschriften zijn te beschouwen als openbaringen van het collectief onbewuste* aan het bewustzijn.
Volgens Jung bestaat de menselijke psyche voor een aanzienlijk deel uit collectief onbewuste drijfveren, inzichten en opvattingen, die de neerslag zijn van de vele gemeenschappelijke ervaringen van de mensheid. De bijbelse verhalen vinden hun voedingsbodem in het collectieve onbewuste van het Joodse volk. Hoe wijder geografisch verbreid de mythe is, des te meer volkeren hun ervaringen en inzichten, ‘représentations collectives’*, erin herkennen, des te fundamenteler is het menselijk inzicht dat aan de orde wordt gesteld.
Tenach* is de joodse naam voor het oude testament. De inhoud van het Oude Testament heeft een ingewikkelde geschiedenis. Het boek bestaat uit drie delen, namelijk de Wet, t.w. de vijf boeken van ‘Mozes’, de Geschriften, de historische kronieken (21) met de zes poëtische boeken en de Profeten (17). Het Oude Testament omvat een deel van de Oud-Israëlische literatuur. De tekst van het Oude Testament is oorspronkelijk in het Oud-Hebreeuws geschreven, een taal die terug gaat op het Kanaänitisch (de tale Kanaäns). Enkele delen van het Oude Testament worden onderbroken door de verwante semietische taal het Aramees, zoals o.m. bij de profeten Ezra de hoofdstukken 4-6 en 7 en Daniël § 2-7. Deze taal werd na de ballingschap in Babylonië, (734-537 v. Chr.), tot 400 na Chr. in Palestina gesproken. Omstreeks 100 na Chr. werden na veel inspanning de in verschillende oudere handschriften ingeslopen overschrijffouten, tekstcorrupties genoemd, gecorrigeerd en een ‘autoritatieve’ tekst vastgesteld. Deze tekst wordt daarna zorgvuldig bewaakt door de rabbijnen.
Naarmate men verder leest in het Oude Testament neemt het mythisch gehalte van de verhalen af en wordt de tekst historischer. Auteurs zijn anoniem, de teksten werden door meerderen bewerkt en worden als collectief bezit beschouwd. Het Oude Testament is een verzameling joodse geschriften of anders geformuleerd, menselijke documenten, die zijn samengesteld uit geschriften uit langvervlogen tijden en contexten en uit een al lang vervlogen primitieve landbouwcultuur. Vrijwel alle geschriften in de Semitische en Egyptische cultuur zijn anoniem. De schrijvers leven in een samenhangend collectief stamverband en hebben nog geen eigen individueel gezicht. Het verschijnsel persoonsgebonden geestelijk eigendom bestond nog niet. Er bestond in deze samenlevingen een erg beperkte individualisering. Pas bij de Grieken veranderde dit enigszins. Zij ontwikkelden de individualiteit in de zesde eeuw v. Chr.
De stammen van Israël leefden in de 12e en 11e eeuw v. Chr onderling relatief vreedzaam met een gemeenschappelijke koning in Palestina naast de Kanaänieten. In die tijd kwamen de vijf boeken van ‘Mozes’ tot stand. Koning David heerste over Israel omstreeks 1000 v. Chr. Het gebruik om in de titel van geschriften grote gezagdragende namen als Mozes (Pentateuch), Jozua, David (Psalmen), Salomo (Spreuken, Hooglied) en Samuel te gebruiken als pseudo-auteursaanduiding door anoniem gebleven schrijvers was wijd verbreid en diende om het gezag van het geschrift te verhogen. In onze sterk geïndividualiseerde samenleving met beschermde auteursrechten komt zoiets nauwelijks meer voor. Het zou in de westerse cultuur al spoedig als plagiaat, letterdieverij, worden beschouwd. Er komen in de Israëlische geschiedenis betrekkelijk veel profeten* voor. De boodschappen, die bij hen opkwamen uit hun onbewuste, zijn na dictaat op schrift gesteld door anderen. De teksten van grote profeten (Jesaja, Jeremia, Ezechiël, Amos, Hosea en Zacharia) werden later weer bewerkt en uitgebreid met teksten, die naar men meende, goed pasten in de ‘geest van de meester’. Het boek Jesaja is in vier eeuwen uitgegroeid tot zijn huidige vorm en omvang.
De onbeschermde tekst was een collectief bezit van de gemeenschap en kwam zo terecht in de stroom van de levende traditie.
Deuteronomium, het vijfde boek van ‘Mozes’, stamt oorspronkelijk uit de 8e eeuw v. Chr. Het geschrift is in de loop van de 8e tot 6e eeuw v. Chr. door ingrijpende redacties van creatieve bewerkers heen gegaan. Men legde op deze wijze de eigen opvattingen in de mond van een gezagdragende persoon.
Het anonieme poëtische boek Job dateert uit de vierde eeuw v. Chr. Het boek Prediker dateert uit de derde eeuw v. Chr. De priesterlijke schrijvers die het Oude Testament hebben samengesteld deden dit in de periode vanaf de 7e tot de 2e eeuw v. Chr.
Het Nieuwe Testament
Het Nieuwe Testament is oorspronkelijk geschreven in het Grieks, de toenmalige wereldtaal van het Romeinse rijk. Dit is eveneens het geval bij de apocrieve boeken, die door de Katholieke Kerk wél tot de canon van de heilig verklaarde bijbelboeken worden gerekend en door de protestantse kerken niet. Athanasius, de bisschop van Alexandrië stuurde in 367 na Chr. een Paasbrief rond aan al zijn christelijke gemeenten. In deze brief schreef hij ook een lijst van zijns inziens ‘door de Heilige Geest geïnspireerde teksten’. Er werd gesteld dat de Heilige Geest, als een stem uit hemelse dreven de tekst bij de auteurs had ingefluisterd. Athanasius’ lijst komt nauwkeurig overeen met de huidige samenstelling van het Nieuwe Testament. Hij beëindigde zijn Paasbrief met: ‘Laat geen mens eraan toevoegen, noch er iets aan afdoen.’ Iedere gemeente gebruikte tot dan toe haar eigen favoriete geschriften. De geschriften waren gekozen uit tientallen geschriften uit de vroegchristelijke literatuur. Er zijn 21 andere Evangeliën bekend naast de vier Evangeliën die zijn opgenomen in het Nieuw Testament. De in het Hebreeuws en Aramees geschreven teksten van het Nieuwe Testament vielen al spoedig af door hun beperkte taalgebied. De concilies van Hippo Regius in 393 en die van Carthago in 397 en 419 bekrachtigde de samenstelling van het Nieuwe Testament volgens Athanasius. De gekozen vier Evangeliën dateren uit resp. omstreeks 80, 70, 80 en 90-125 na Chr. en hebben hun informatie uit de tweede of derde hand. De auteurs zowel van de evangeliën als van enkele brieven zijn anoniem en de teksten hebben in de loop van de eerste eeuwen door overschrijving en bewerking vele wijzigingen ondergaan, die pasten in de zich ontwikkelende verlossingstheologie van de vroege kerken.
Canonvorming en heiligverklaring
Canon betekent Semitisch: maatstaf, richtsnoer. De vaste samenstelling van de bijbelinhoud vond geleidelijk plaats in de loop van de eerste eeuwen. De grens tussen canoniek en niet-canoniek is lange tijd vloeiend geweest. Omstreeks het midden van de vierde eeuw werd er een consensus in de christelijke kerken bereikt over de lijst van erkende bijbelboeken. Men stelde dat de (65) boeken bijeen hoorden en alle eenzelfde goddelijke oorsprong hadden d.w.z. dat de inhoud was vanuit God door mensen geschreven. De veel gebruikte afbeelding toont de Heilige Geest in de gedaante van een duif, die bezig is een bijbelschrijver te inspireren. Daarmee is de bijbel als heilig boek van alle andere boeken te onderscheiden. Deze andere, niet-heilige boeken hebben niet de pretentie van goddelijke oorsprong te zijn. De bijbel kreeg daarna voor de gelovigen een goddelijk gezag. God zou zich in de bijbel hebben geopenbaard. Een formele vaststelling van een lijst bijbelboeken op een algemene kerkvergadering heeft nooit plaats gevonden. Het concilie (Lat concilium is vergadering) van Trente, 1545-1563, heeft er wel over gesproken maar de inhoud van de bijbel stond toen al eeuwen vast.
Andere heilige boeken
Het verschijnsel Heilig Boek is niet tot het christendom beperkt. Er zijn een aantal heilige boeken in andere godsdiensten.
- De oudste heilige boeken komen voor in India, het zijn de vier Veda’s,* (Sanskriet. Vid is weten). Het zijn brahmaanse religieus-filosofische geschriften. Deze omvatten de Rigveda, Samaveda, Yayurveda en Atharvaveda. Zij dateren uit de periode van 1800-1000 v. Chr. Zij worden beschouwd als door de goden geïnspireerde openbaringen;
- De Upanishads* (Sanskriet, het vertrouwelijk neerzitten bij een leraar) zijn aanhangsels van de Veda’s en dateren uit de periode 700-300 v. Chr;
- De Heilige Qor’aan ( Arabisch: hetgeen voorgelezen, voorgedragen wordt), met 114 hoofdstukken. Dit boek bevat de openbaringen, die de profeet Mohammed van de engel Gabriël heeft ontvangen in Mekka en Medina. De Koran dateert uit 650 na Chr. Het op aarde bestaande eerste exemplaar is een copie van het eeuwige oerexemplaar dat Allah in de hemel bezit;
- The Buddhist Bible. Het is een in 1939 voor het eerst gebundeld verschenen verzameling van de belangrijkste Boeddhistische geschriften die oorspronkelijk zijn geschreven in het Pali, Sanskriet, Chinees en Tibetaans. Deze uitgave is aangevuld met een tweetal teksten uit moderne bron. De teksten zijn gesteld in Engelse vertaling;
- Het Boek van Mormon. Joseph Smith, 1805-1844 zou op de berg Cumorah bij New York in 1827 een aantal gouden platen hebben gevonden waarop een verslag stond over de vroegere bewoners van Amerika en over Christus’ arbeid onder hen. De tekst van de platen werden in 1830 uitgegeven als: Het boek van Mormon. In dat jaar stichtte Joseph Smith een kleine gemeente ‘De Heiligen Der Laatste Dagen’. Hij schreef nog twee andere boeken met openbaringen te weten ‘De Parel van grote waarde’ en ‘De leer en de verbonden’. Deze drie boeken vormen de geloofsgrondslag voor de gestichte kerk in Salt Lake City. Joseph Smith werd in 1844 gelyncht;
- Science and Health with Key to the Scriptures by Mary Baker Eddy, 1821- 1910. Zij schreef in 1875 dit boek. In 1879 stichtte zij te Boston een gemeente ‘The First Church of Christ’;
- Verder is er een heilig boek van Zarathustra*, (Zoroaster), de stichter van het Parsisme, dat kent de heilige geschriften: Zendavesta, Vendidad, Bundahis, Gathas en Pahlavi geschriften;
- Het Confucianisme kent onder meer de gewijde geschriften: Li Ki.
- Het Taoisme kent Tao Te King en de werken van Chang Tze.
Behoefte aan een Heilig geschrift
Het voorkomen van het verschijnsel ‘Heilig Boek’ wijst op een relieuze behoefte van de mens ter verklaring van de machten boven hem. Een dergelijk ‘Heilig Boek’ biedt hem steun en troost in zijn nood en moeilijkheden die hem in het leven overkomen. De steun en troost zoekt hij in voor hem bereikbare heilige geschriften die hij kan raadplegen, eventueel via een priester. Het zijn woorden en vertroostingen die van uit de niet-empirische, geloofswerkelijkheid stammen en voor zijn religieus besef en beleving waar en zeker zijn.
Het bovennatuurlijke ontvangt van de gelovigen een autonome zijns-status of modaliteit*. Het Heilige boek, dat uit die niet-empirische (lees onbewuste) wereld afkomstig wordt beschouwd, biedt de gelovigen de gezochte ‘zekerheid’ en schenkt hen woorden van eeuwig leven tot troost en sterkte.
Het is echter een uitspraak uit de geloofswerkelijkheid die verschilt van de waarnemingswerkelijkheid. Het laatste is een context, die de wetenschapper zo graag gebruikt bij het opbouwen van zijn levens- en wereldbeschouwing. De geloofswerkelijkheid is een niet toetsbare aangelegenheid. De niet-empirische werkelijkheid wil hij wel kennen maar de gelovige wenst deze te beschouwen als van een gelijkwaardige of soms hogere aard dan de empirische werkelijkheid. Bij de wetenschapper beslist het bewustzijn.
Archetypische voorstellingen in de Bijbel als psychologieboek
Onder archetype* wordt verstaan een energie die bestaat in het onbewuste deel van de psyche. Een archetype kan zich op meerdere manieren in het bewustzijn manifesteren en op gedrag, voelen en denken invloed hebben. Niet te verwarren met driften zoals geslachtsdrift, machtsdrift of overlevingsdrift. Een voorbeeld van een archetype is het archetype van ‘De Held’. De held voelt zich geroepen een goede daad te doen voor behoud en ontwikkeling van de eigen cultuur, bv Prometheus of David die uitzonderlijk de strijd aandurft met de reus Goliath. Hij gedraagt zich als held want zijn archetype roept hem ter vervulling van zijn leven en na zijn heldendaad werd David koning.
Het bestuderen van de bijbel met gebruikmaking van de analytisch psychologische inzichten is van recente datum. In een brief aan een Rooms katholieke ordesgeestelijke schreef Jung in 1952: ‘Ik ervaar dat al mijn gedachten rond God cirkelen zoals planeten om de zon. Zij worden onweerstaanbaar door Hem aangetrokken. Ik zou het als de grootste zonde voelen als ik aan deze aantrekkingskracht weerstand zou bieden.’ Jung bedoelt niet de godsvoorstelling van zoals in de bijbel maar het archetype Zelf.
Met de invalshoek van de analytische psychologie bezien we eens nader een aantal eeuwenoude bijbelpassages in de hoop dat deze passages ons een nieuw perspectief bieden bij het lezen van dit klassieke boek en ons iets zal vertellen dat ons aanspreekt en inzicht geeft in het collectief onbewuste. Jung stelt in zijn boek ‘Antwoord aan Job’: ‘Religieuze uitspraken zijn zielsbekentenissen, die in laatste instantie op onbewuste, zogenoemde transcendente, processen berusten.’ Transcendent * betekent hier boven de grens van het waarneembare uitstijgend. Zij kunnen ons iets vertellen over ons zelf. Deze bekentenissen worden vanuit het onbewuste in het menselijk bewustzijn tot uitdrukking gebracht. De religieuze inhouden bewegen zich in een wereld van beelden, die op iets onuitsprekelijks wijzen. We weten niet hoe duidelijk of onduidelijk deze beelden, gelijkenissen en beschrijvingen zijn ten onzichte van het verondersteld transcendente object. Je kan niet verifieren.
Doordat we niet in de bovennatuurlijke wereld kunnen indringen leven wij in raadsels en met beelden die we niet scherp kunnen krijgen. Anders geformuleeerd, we hebben geen diep toegang tot ons collectief onbewuste om te kunnen waarnemen.
Voorbeelden van architypische beelden in de bijbel:
Oude Testament
- Genesis hoofdstuk 1: vers 1-3. Bewustwording. Het begin van de scheppingsmythe toont dat de schepping begint met de bewustwording. De mythe is een antwoord op de vraag: waar kom ik vandaan? In vers 3 staat: ‘Op de eerste dag zei God: ‘Er zij licht en er was licht.’ Het bewustzijn ontstond. Pas op de vierde dag werden de beide lichten, zon en maan gemaakt. Het grootste licht (de zon) betekent de heerschappij over de dag (vers 16 tot 18), te weten het bewustzijn. Het menselijk bewustzijn komt voort uit het onbewuste. Daar stuurt het archetype Zelf* de processen aan waaronder dat van het tot stand brengen van het Ego. Jung heeft in het boek ‘Science of Mythology’, dat hij samen schreef met Carl Kérenji in 1951, op pagina 119 geschreven: ‘Dag en licht zijn synoniemen voor het bewustzijn, nacht en duisternis voor het onbewuste. Het opkomen van het bewustzijn was waarschijnlijk de meest uitzonderlijk grote ervaring uit de oertijd, want daarmee kwam een wereld tot stand waarvan het bestaan niemand eerder had verwacht. En God zei: ‘Er zij licht’. Deze tekst betekent de uitbeelding van die onvergetelijke ervaring van het ontstaan van het bewustzijn vanuit het onbewuste. Het ontstaan van het Ego uit het centrale archetype Zelf;
- Genesis hoofdstuk 2 en 3. Beschrijving van het Paradijs, het Zelf. Een pastorale mandala. De Bijbel beschrijft de ambiance van de schepping van de mens als een paradijs. Kunstenaars beelden het paradijs vaak uit als een rond eiland. Het woord paradijs is afkomstig van het Perzische woord Paradaeza, dat lusthof en ook ommuring betekent. Het paradijs wordt beschreven als een tropisch eiland dat omstroomd wordt door vier stromen. Zie Genesis 2:8-25. De lusthof had ook een centrum, daar stond de levensboom*, vers 2:9. De rurale lusthof met bos en wei toont het kenmerk van Quarterniteit*, (Lat. quarterni telkens vier) van eenheid en totaliteit.
Het archetype Zelf* wordt op deze wijze uitgebeeld met een centrum en een vierkante omtrek. Het vormt zo een afbeelding van een mandala* (Sanskriet. cirkel)*. Dit symbool komt als uitdrukking van het centrale archetype Zelf veel voor, b.v. in de Tibetaanse, Christelijke en Indiaanse symboliek.
Dit symbool komt spontaan voor in dromen met name als er conflictsituaties bestaan. Tijdens toestanden van psychische desoriëntatie vertonen dromen vaak mandalafiguren, die op herordenende krachten en processen wijzen.
De strenge ordening van concentrische cirkels en omgrenzende vierkanten drukt in beeld de inspanningen van het Zelf uit bij het beheersbaar maken van de aanwezige krachten en energieen. De mandala schept een middelpunt, waarop alles kan worden betrokken. De mandala wordt gezien als een poging tot zelfgenezing van de natuur; - Openbaring van Johannes, hoofdstuk 21 en 22. Een stedelijke mandala. De Bijbel beschrijft in het laatste boek ‘De Openbaring van Johannes’, een urbane mandala. Het is een beeld van een eindpunt van een heilige stad die uit de hemel neerdaalt en waarin God zal gaan wonen bij de mensen. De toekomst wordt beschreven als een vreugdevol feest, alle verdriet is verdwenen evenals de sterfte. Veel mythische verhalen beschrijven een wereld die welvaart en gerechtigheid kent. De zondaars worden gestraft. Het kwaad is dus uit het hemelse leven verwijderd. Het beeld laat het volgende zien:
De stad Gods is gelegen op een berg. Openbaring 21:9 tot 22: 5. Bergtoppen zijn van oudsher vaak heilige plaatsen waar de goden vertoeven. Vanaf de berg Sinaï gaf God aan Mozes zijn stenen tafelen met de wet. De berg Olympus in Griekenland was de woonplaats van de twaalf belangrijkste goden. In de Hindoe-mythologie is de berg Meroe het middelpunt van de wereld en ook de wereldas die aarde en hemel met elkaar verbindt. In de bovenste zone van de Meroe woont de god Indra (Sanskriet: sterk, machtig), die later tot een regenbrengende vruchtbaarheids- en vegetatiegod is geworden. Bergtoppen bestaan grotendeels uit harde gesteenten. Deze stenen wijzen op onvergankelijkheid en zijn symbolen van de weerstandskracht van de top. Zij zijn weinig gevoelig voor de eroderende krachten van de tijd.
De hemelse stad in ‘De Openbaring van Johannes’ is vierkant en heeft een hoge muur om zich heen. De stad was zeer kostbaar uitgevoerd. Het beste van de aarde blijkt nauwelijks goed genoeg. De muren waren gebouwd van diamanten. De stad was van goud en de fundamenten waren met edelstenen versierd.
God zelf brengt het licht voort. Hij is het centrum van de macht. In het midden van de hemelse stad stond de levensboom, die iedere maand vruchten voortbracht. Er is ook een bron van helder levenswater, die als een rivier uitstroomt.
De stad Gods wordt als een mandala beschreven en is van bovenaardse allure. Het beeldt uit de onbereikbare eindbestemming van het individuatieproces dat de mens tot heelheid brengen moet voor zijn einde daar is; - Genesis hoofdstuk 3. Zondeval. De zondeval is een mythe die uitsluitend in de christelijke mythologie voorkomt.
De zondeval is een door God in de aanleg van de mens meegegeven drang naar autonomie en wordt door een goddelijk verbod daarna weer geblokkeerd. In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling van het ego uit het onbewuste deel van de psyche in beeld gebracht. Het onbewuste vertoont een ambivalente* houding tegenover het zich losmakende ego*, dat naar meer bewustwording streeft. Elk archetype bezit altijd een positieve en een negatieve zijde. De ontworsteling van het ego aan het Zelf is een moeizame aangelegenheid. Daar het Zelf de regie over de gehele psyche toegewezen heeft gekregen, krijgt het ego met zijn vier functies* geen volledige vrijheid van handelen. Die beperkte vrijheid is gebonden aan de regels van het Zelf.
De tegenstrijdige impulsen uit het onbewuste naar het ego worden symbolisch weergegeven door een dubbelzinnige houding van het goddelijke ten opzichte van de mens.
Het planten van deze boom en het vervolgens verbieden om ervan te eten is een tegenstrijdige daad. Van een verboden vruchtboom gaat een geweldige verleidende suggestie uit. Een paradijsslang spreekt Eva aan en vertelt dat het eten van de door God verboden boom van de kennis van goed en kwaad aan de eter van de vruchten er van, het oordeelsvermogen over goed en kwaad zal schenken. Eva ziet wel wat in het ontvangen van een oordeelsvermogen ter onderscheiding van goed en kwaad. In Gen 3:22 vertelt God dat de mensen na het eten van deze vrucht inderdaad een eigen plaats naast God hebben verworven. Het initiatief tot de daad van rebellie lag niet bij Eva maar bij de slang. Deze sprekende slang is een numineuze, heilige, macht en een aspect van het goddelijke. Deze slang wijst op het verbod en beveelt overtreding van harte aan. Het eerste gevolg van het eten van de vrucht is de ontdekking van hun naaktheid en het schuw worden voor God. Met een vervloeking worden ze uit de hof van het onbewuste verwijderd. Een engel met een zwaard bewaakt de toegang.
Enerzijds is het onbewuste behoudend als zich iets nieuws voordoet, dan verzet het onbewuste zich er tegen. Anderzijds gaan er impulsen ter vernieuwing in het algemeen uit van het onbewuste. Het ligt in de menselijke aard besloten om zich op termijn van de natuur te verwijderen en zich in een cultuur te ontwikkelen. De mens ontworstelt zich steeds een beetje meer aan de willekeur van de goddelijke krachten. Met kleine stappen gaat de ontwikkeling van het ene evenwicht naar het volgende evenwicht.
Bewustwording brengt vrijheid, maar ook vervreemding van de natuur met zich mee. De uittocht uit het paradijs deed de vervreemding voelen. De mythe beschrijft het ontstaan van het Ik-bewustzijn bij de eerste mensen. Dit bewustzijn is afkomstig uit het domein van het onbewuste. Zie Ego-Zelf-as*.
De oorspronkelijke toestand van natuurlijke harmonieuze volmaaktheid wordt verwoest door dit gedrag van mensen, maar het opent een verdere ontwikkeling. De mens koos er voor zijn problemen zelf op te lossen. De ontwikkeling van het bewustzijn heeft voor de ontwikkeling van de mens een onvoorstelbare betekenis gekregen.
Berus Aaafjes schreef over dit onderwerp in 1949 een gedicht ‘In den beginne’. - Bileam op weg naar koning Balak. Een vergelijkbare tegenstrijdige goddelijke aanwijziging van de god Jahweh ondervond de profeet Bileam. In Numeri 21, 22, en 23 staat Bileams verhaal. Het voorval met de ezelin staat in Numeri 22:19-35. Bileam heeft een reputatie als waarzegger en wordt verzocht om naar Moabs koning Balak te komen. Bileam woont in Noord Mesopotamië, ca. 25 dagen reizen op de ezel naar Balaks hof. Hij kreeg van Jahweh in de droom aanvankelijk geen toestemming om naar Moab te gaan, het vervloeken van Israël werd hem evenmin toegestaan. Dit laatste was de opzet van Balak, een vijand van Israël. De afgezanten van Balak vertrekken na van Gods verbod te hebben gehoord. Zij komen na 50 dagen nog eens terug met kostbaarder geschenken en met hetzelfde verzoek. God spreekt opnieuw tot Bileam in de droom. Hij krijgt deze keer wel toestemming om naar Balak te gaan. Het tweede verzoek, het uitspreken van een vloek, wordt door God niet expliciet geweigerd. Hij moet bij Balak spreken wat God hem in de mond zal leggen. Hij gaat op reis met de verwachting dat hij later wel Gods toestemming zal krijgen om de vloek uit te spreken.
Tegen het einde van de reis stelt de Engel des Heren zich, onzichtbaar voor Bileam, op maar de ezelin ziet de engel wel en wijkt uit en loopt het veld in. Later op een weggetje met weerzijds een muur ziet de ezelin de Engel met het zwaard weer staan en schuift dicht tegen de muur aan, ondanks het au-geroep en de zweepslagen van Bileam. De Engel trekt zich terug van de boos geworden Bileam. Even verderop herhaalt zich het tegenhouden door de Engel. Bileam wordt razend maar nu begint de ezel te spreken en legt Bileam de situatie uit en daarna ziet Bileam zelf ook de Engel des Heren staan. Hij wil nu wel terug naar huis, maar de Engel des Heren, dat is Yahweh zelf, stuurt hem door naar Balak. Vreemd en tegenstrijdig is het aanvankelijk toestaan van de reis en het, bijna op het eind van deze reis, Bileam met de dood bedreigen; - Genesis hoofdstuk 4:1-16, De vijandige broeders. De tekst betreft een illustratie van het archetype van de vijandige broeders. In Genesis 4:1-16. staat de mythe van Kaïn en Abel. Daarin vermoordt de landbouwer Kaïn zijn broeder Abel, die veehouder was. Kaïn was bovendien jaloers omdat God Abels offer wél en Kaïns offer níet aannam. Beiden worden beschreven als kinderen van Adam en Eva. De mythe brengt in beeld de spanning die er bestaat tussen de aan een grondgebied gebonden landbouwer met zijn kwetsbare graanvelden en de pastorale nomade die met zijn kudde rondtrekt. Elke keer wanneer een kudde de kans krijgt op een graanveld te gaan grazen ontstaat er schade en een hevige ruzie. Landbouw en veeteelt hebben lange tijd aan gescheiden levenswijzen ten grondslag gelegen.
In de Mythologie van Rome is het conflicht bekend tussen de broeders Romulus en Remus. Deze beide mythische stichters van de stad Rome waren zonen van de krijgsgod Mars en zijn samen opgegroeid. Zij werden, net als Mozes, in een mandje in de rivier de Tiber gezet en dat in de modder bleef steken. De beide kinderen werden door een wolvin gevonden en gezoogd tot een herder hen vond en aan zijn vrouw ter verdere verzorging gaf. Eenmaal groot geworden doodden zij de lokale vorst Amulius en stichtten op het zo veroverde gebied een nederzetting. Een twist over de naam van deze stad in wording leidde tot de dood van Remus. De stad werd Rome genoemd en Romulus werd de eerste vorst van deze stad.
Andere mythische voorbeelden van vijandige broeders zijn: De Griekse Prometheus en Epimetheus, de voordenker en de te laat denker. De laatste trouwde met Pandora, de eerste vrouw op aarde. Zij werd evenals Eva, de vrouw die de rampspoed over de wereld bracht door het onbedacht openen van de doos van een verdacht geschenk, waarin alle ellende van de wereld zat verborgen.
De zonen Balder en Hödur van de Oud-Scandinavische god Odin en de godin Frigg groeiden samen op. Hödur was blind geworden. Bij een gelegenheid waarbij de Asengodengroep hun pijlen afschoten op de onkwetsbare Balder, de lichtgod, wierp Hödur aangezet door de boze god Loki een maretak. Dit was de enige boomtak die Balder dodelijk kon treffen. Ongewild werd hij zo de doder van zijn broer.
Ezau en zijn jongere broer Jakob hadden blijkens Genesis hoofdstuk 27 een slechte relatie. Ezau haatte Jakob wegens zijn sluwe misleiding om Ezau’s eerstgeboorterecht en bovendien zijn oudste zoon-zegen te krijgen. Voortaan is Ezau de schaduwfiguur van Jakob. God had eerder al aan zijn mythische grootvader Abraham het land Kanaän toegezegd. Izaäk’s zegen aan Jacob is een herhaling daarvan.
Het joodse volk is endogaam* (Gr. endon is binnen) en Jakob kiest daardoor voor een vrouw binnen de eigen familie, stam of volk. Het brengt Jakob tot een vlucht die twintig jaar zal gaan duren. Hij werkt bij zijn oom en schoonvader Laban in Haran.
Kenmerkend voor dit archetype is het elkaar na staan van de beide broeders. Er is veel verwantschap en overeenkomst tussen de beide betrokkenen, waartussen later een sterke afgunst ontstaat.
Bij ideologische groeperingen merken wij op dat de twisten vooral tussen zeer verwante groepen optreden. Gereformeerden maken een kerkscheuring met Gereformeerden die art 13 onderhouden. Communisten hebben een zeer gespannen houding tegenover socialisten.
Literatuur: John Steinbeck. Ten Oosten van Eden. Ned.Vertaling 1953. Een roman met als archaïsche kern het mythologemen (mythisch motief) van de vijandige broeders.
Het archetype van de Vijandige Broeders, die door hun overeenkomst zo goed vergelijkbaar zijn, is heden ten dage te zien in Palestina waar twee broedervolken elkaar het licht in de ogen niet gunnen; - Zondvloed Genesis 6:5 tot 8:22. De mythe van de zondvloed. Dit verhaal is gedurende de ballingschap in Babylonië, ± 600-530 voor Chr., door de rabbijnen gehoord van het Assyro-Babylonische Gilgamesjepos.* Dit epos stamt uit 5.000 v.Chr. Het zondvloedverhaal wordt daarin aangetroffen. Het motief is in geheel Mesopotamië* bekend. De Gilgameshtekst is vrijwel letterlijk overgenomen in het boek Genesis.
Er zijn in de mythologieën enige honderden vrijwel gelijkluidende zondvloedverhalen bekend. Kenmerkend is de vernietiging van de wereld door water en lucht (orkaan). De scheiding van water en land van de derde scheppingsdag (Genesis 1: 9) wordt in de zondvloedbeschrijving opgeheven. In de Hindoe-mythen is er het zondvloedverhaal van Vishnu* en Manu*. De Griekse mythe van Deukalion* en zijn vrouw Pyrrha vertelt ook van een zondvloed.
Het overspoelen van het leefoppervlak en het daarna weer opnieuw gaan inrichten en bebouwen wijst op een vernieuwingsproces. Als tijdens een vroege ontwikkelingsfase de daarin haalbare groei is bereikt en het kind op weg gaat naar de volwassenheid dan gaan elementen uit het kinderleven verloren of worden secundair aan de nieuwe doeleinden die bij het dan komende levensstadium behoren. Nieuwe elementen komen aan de orde.
De psychologische betekenis van de zondvloed kan ook gezien worden als het overspoelen van het ego door onbeheersbare ‘invasies’ van het onbewuste, waardoor er een toestand van psychose*, desintegratie, ontstaat. Tijdens de beginfase van de ziekte schizophrenie* ervaart de patient een ernstige desintegratie van zijn ego en een fragmentatie van zijn persoonlijkheid. Zijn greep op de wereld met zijn denken, gevoelen, waarnemen en intuïtie ontglipt hem. Het naar buiten geprojecteerde beeld wordt uitgelegd als een ‘Weltuntergangserlebnis’. De wereld is zijn geprojecteerde, disfunctionerende binnenwereld, die geheel in het ongerede is geraakt door de ziekte.
Psychologisch geformuleerd: Het Ik en het bewustzijn verkeren in een crisis, waardoor de psyche uit balans raakt. Het Zelf is op zo’n moment ten opzichte van het bewustzijn even geen positief leidend principe meer dat tot verdere ontplooiing aanzet maar heeft de krachten van de integratie niet meer in beheer heeft en er ontstaat een chaos.’ De geest is dan woest en ledig en de duisternis ligt op de vloed.’; - Genesis hoofdstuk 11:27-32; 12 tot 23. Abraham, was een vriend van God. Het archetype van De Held. Abraham is de mythische oorsprong van het volk Israel. De drie aartsvaders Abraham, Izaäk en Jakob, later Israël genoemd, symboliseren als een dynastie de vroege ontwikkelingsfasen van het latere volk Israël. Abraham wordt beschreven als geboren in Ur van de Chaldeeën, als de zoon van Terach en gehuwd met de zeer schone Sara. Met zijn vader Terach trok hij naar Haran. Abraham kreeg daar een godservaring en deze bevatte de opdracht om te vertrekken naar een land dat God hem zou aanwijzen. Dat land bleek Kanaän te zijn. Een ander deel van de Gods openbaring hield in: ‘Het hele land, dat Gij ziet zal ik U en uw nageslacht voor altoos geven’. Deze mythe gebruikt het Joodse volk om hun huidige politiek in Israël te rechtvaardigen.
Abraham stond onder Gods directe bescherming: ‘Vrees niet, Abraham, Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn’. Dit bleek o.m uit zijn tocht naar Egypte wegens hongersnood in Kanaän, waarbij hij door een list aan de dood ontsnapte. De Farao wilde de mooie Sara wel in zijn harem opnemen. Abraham zou dan gedood worden. God strafte de Farao met zware plagen zodat hij van zijn voornemen afzag. Hoofdstuk 12:10-20. Abraham bevrijdde zijn neef Lot uit de handen van een viertal stamhoofden. Zijn onvruchtbare huwelijk was voor hem een probleem want hij zag niet graag dat zijn veehoudersbedrijf aan een bediende zou toevallen. Sara vond een oplossing in de mogelijkheid om een bijvrouw een kind te laten baren dat zij na de geboorte als een eigen kind zou erkennen. Dit was niet de oplossing van zijn God, die met twee engelen bij Abraham* op bezoek kwam bij de terebinten van Mamré. Sara zou Izaäk baren. Izaäk was, wat de dokters noemen, een duur kind t.w. enig en onvervangbaar.
Abraham wordt evenals later Mozes en Jonah als een held vereerd. Zij zijn te vergelijken met helden als Gilgamesh* en Odysseus* . In Genesis hoofdstuk 22 wordt Abraham op de proef gesteld met de opdracht om Izaäk te offeren op een berg gelegen op drie dagreizen afstand in het land Moria. Abraham bouwde een altaar, legde eerst brandhout en daarna Izaäk daarop en hief het slachtmes omhoog. Pas op dat kritieke moment riep de Engel des Heren:’ Abraham, strek uw hand niet uit naar de jongen’. Izaäk werd als offer vervangen door een ram die vastgelopen was in het struikgewas.
De gift. Het offerverhaal is vreemd. In de samenleving van Abraham kwam een offer voort uit een wederzijdse positieve relatie, die inderdaad aanwezig was. Het offer dient, evenals een geschenk tussen stamgenoten en gasten, om wederzijds respect en waardering van de relatie uit te laten komen. In de aard en waarde van de geschenken diende de bestaande sociale rangorde te worden geëerbiedigd. De ondergeschikte geeft een mindere gift aan de hoger geplaatste, dan andersom. Vrienden onder elkaar geven elkaar gelijkwaardige geschenken. Abraham heeft zich als held weliswaar, naar de opdracht van zijn God, aan de opdracht gehouden maar het hoogste geschenk dat mogelijk is het schenken van zijn oudste zoon. Zo’n offer is alleen aan God voorbehouden. Dit laat God aan de held Abraham op de rand van het bijna-offer weten. De ram was voor Abraham bij nader bericht goed genoeg. Abraham had zichzelf overschat, al was hij een vriend van God; - Genesis 28:10-22. Ego-ontwikkeling. Ego-Zelf-as*. De Jakobsladder. We vervolgen de ontwikkeling van het ego* dat zijn ontstaan ontleent aan het onbewuste onder leiding van het archetype Zelf*. De geleidelijke losmaking van het ego uit het centrale archetype Zelf in het onbewuste vindt plaats in de eerste levenshelft. De scheiding is niet absoluut daar er een verbinding tussen beide aanwezig blijft. Deze verbinding wordt de Ego-Zelf as genoemd. In beeld gebracht met de Jakobsladder. De figuur van de ladder suggereert een laagsgewijze opbouw van de psyche. Op de vlucht droomt Jakob tijdens de eerste nacht van zijn vlucht van een ladder tussen hemel en aarde. Bovenaan de ladder stond de God van Abraham. Deze god herhaalde de belofte van de toezegging van het landbezit, macht en levensruimte voor zijn nakomelingschap. ‘Dit land waarop gij ligt te slapen, zal ik U geven’. Dit verhaal brengt de mythisch kleur aan bij de strijd van Israël tegen de Palestijnen. Op de Jacobsladder* dalen en stijgen enige engelen. God beloofde hem ook een massaal nageslacht en bood hem zijn bescherming aan op de gevaarlijke reis van ca. 1.000 km naar het noorden, Haran. Jakob werd wakker en noemde de plaats ‘Huis Gods’ (Bethel). Jakob beloofde God 10% van al zijn jonge vee en graanoogst te offeren. Jakob had een goede reden om te vluchten naar de familie van zijn moeder ‘om een vrouw te zoeken’. Hij had zijn oudere tweeling broer Ezau zowel het eerstgeboorterecht als het recht op de positie van stamvader afhandig gemaakt en vervolgens ook de vaderlijke zegen, die voor Ezau bedoeld was, met list verworven. Deze zegen heeft grote gevolgen voor de erfenis. Zijn misleide blinde vader Izaäk had hem rijk gezegend ten koste van zijn oudere tweelingbroeder Ezau. Bang voor de wraak van Ezau vluchtte Jakob naar Haran.
Het archetype van de Vijandige Broeders uit Genesis 27 werd hier boven al toegelicht.
Het ervaren van het Godsbeeld stelt Jung voor als ononderscheidbaar van het ervaren van het archetype Zelf. Dit archetype gaat een geweldige stimulans uitoefenen op Jakob. Het moedigt initiatief, ondernemen en werken aan. Jacob wordt een volwassen man. Een veertienjarig dienstverband bij zijn oom Laban volbracht hij ter verwerving van Labans beide dochters tot vrouw. Als geslaagde veeboer verliet hij na twintig jaar Haran met vier vrouwen, vele kinderen, slaven en een grote kudde, Hij verzoende zich met Ezau bij de rivier de Jabbok en vestigde zich zelfstandig in Kanaän; - Genesis hoofdstuk 32:22-32. Jakobs strijd aan de Jabbok, een zijriviertje van de Jordaan. De aartsvader Jakob kreeg in Haran, waar hij bij zijn oom Laban woonde, de opdracht naar Kanaän terug te keren maar bij de rivier de Jabbok hield God hem tegen. (Genesis 32:22-32). Er volgde een gevecht gedurende de hele nacht tussen Jacob en de Engel des Heren. Genesis 32: 22- 31. Het gevecht vond plaats op de dag vóór de ontmoeting met Ezau na vele jaren werken in ballingschap te Haran. Hieruit was hij op Gods bevel (Genesis 31:3) teruggekeerd naar Kanaän om daar een nieuwe levensfase te beginnen. Nadat Jakob de overzetting van familie en bezit over de grensrivier Jabbok naar Kanaän heeft uitgevoerd blijft hijzelf nog buiten dat land. De mythe gaat dan over naar een nachtelijk gevecht tussen Jakob en een onbekende Man, die zijn naam niet wilde zeggen maar waarvan Jakob wel de zegen wilde ontvangen. Bij zonsopgang eindigde het gevecht. Na afloop vertelde Jakob: ‘Ik heb Elohim (dat is een godsnaam) gezien van aangezicht tot aangezicht’. Hij heeft van de Engel een nieuwe naam gekregen t.w. Israël. Dit werd de latere naam van het joodse volk. De naam betekent: ‘Hij heeft gestreden met God’. Hij hield van de strijd een hinkende heup over, tijdelijk of blijvend is onbekend. Het was bij een doorwaadbare plaats* waar mogelijk demonen zich zouden kunnen ophouden, maar dat past niet in dit verhaal.
Bij deze voorstelling kan men denken aan een directe confrontatie met goddelijke krachten. Het is niet God zelf, want dat Jakob in het gevecht tegen God zou zijn opgewassen is niet aannemelijk. Jakob noemt zijn tegenstander Elohim, een abstract-meervoudige term dat met goddelijke, bovennatuurlijke krachten, soms met engelen kan worden vertaald. Deze figuur beeldt de natuurlijke weerstand uit die in het collectief onbewuste wordt gemobiliseerd wanneer de menselijke ontwikkeling zich buiten de tot dan toe gestelde grenzen dreigt te gaan begeven. Hij vertegenwoordigt de duistere nachtzijde van God. Deze nachtzijde is principieel ondoorgrondelijk en onbenoembaar. Psychologisch kan men stellen dat Jakob aan de Jabbok in conflict met het Zelf is. De wrekende Ezau is in aantocht. God is in zijn ambivalentie gevaarlijk en Jakob verkeert in een existentiële crisis. Morgen kan Ezau hem wel doden. Jakob kan voor- noch achteruit. Na de verzoening met Ezau zet Jakob zijn wil tegenover God door. Hij gaat Kanaän in en ontgint het land voor zijn familie, die later uitgroeit tot een volk. De ontwikkeling van het volk Israël naar de wijze van de meer begaafde Jakob wordt in gang gezet.
Literatuur: Maria Kartaun. Het gevecht met de engel. Jaarboek IVAP. 2000. Pagina 23-70. - Exodus hoofdstuk 34. De Twee stenen tafelen met normen voor de omgang met God en medemensen. De mythe over de tocht door de Sinaïwoestijn van Egypte door de Rode Zee naar Palestina duurde veertig jaar. De bevolking onder leiding van Mozes vormde een omvang van enige duizenden personen. Op een langdurige woestijntocht is de aanvoer van voedsel en water voor zoveel mensen onder een hete zon al een hele onderneming maar in een mythisch verhaal mag men de eisen van de werkelijkheid buiten beschouwing laten. Een woestijn, een negatief landschap, is in symbooltaal de meest geschikte plaats voor goddelijke openbaringen, ook de demonen en kwaadwillende geesten verblijven daar graag. Profeten en ascetische heremieten zoeken hun plaats van bezinning in de woestijn.
De tocht door de woestijn wordt gezien als een beproeving van het volk Israël met de bedoeling het doen ontstaan van een intensieve onderlinge samenhang van de twaalf stammen onder de theocratische* leiding van Jahweh. De god Jahweh openbaart zich nader op de top van de berg Sinaï. Daar ontvangt het volk de beide stenen tafelen met daarop Gods wet, de decaloog, die, vertelt het verhaal, door God zelf in de steen is geschreven. (Deut 4:13). Steen werd als materiaal gebruikt omdat steen onvergankelijk is. Zolang het steen bestaat, zolang zullen Gods geboden van kracht zijn. In het religieus besef werd de behoefte aan een normering beschreven.
In deze mythe wordt de normering verteld. Een andere betekenis van de woestijntocht is om deze tocht als symbool te beschouwen als beeld van de levensreis van de mens. Voor de levensreis wordt ook wel het symbool van het labyrinth* gebruikt. In de kathedraal van Chartres is een labyrinth in de tegels van de vloer aangebracht. - Exodes 2 tot 15. Mozes roeping tot leider. Mozes’geboorte wordt in een bijzondere mythe verteld. Egypte’s koning zag met beklemming het volk Israël binnen zijn grenzen groeien en wilde deze groei stoppen door alle mannelijke nieuwgeborenen in de Nijl te verdrinken. Mozes werd door zijn moeder in een drijvend ,waterdicht, biezen mandje gelegd en dit proces werd zo bestuurd en gearrangeerd dat het mandje tussen het oeverriet van de badplaats van een princes terecht kwam. Hij werd in het riet gevonden door een badende Egyptische prinses. Hij werd door haar uit de wateren van het onbewuste uitgetild om de belangrijkste leider van het Joodse volk te worden. Zijn moeder werd de min en zoogde hem. Mozes werd later door de prinses als zoon geadopteerd en dit redde hem van de dood. Hij was uit het water getogen. Het water betekent hier het collectieve Zelf van het volk Israël. Mozes werd de op het hoge niveau aan het hof opgeleide leider en het boegbeeld van het volk dat op deze wijze een identiteit verwierf. Daarvoor was het een stammenverzameling. Met Mozes begon een nieuwe fase van de geschiedenis van het volk Israël.
Na het plegen van doodslag vluchte hij naar Midian. Mozes vond huisvesting en werk bij de lokale priester Jethro. Hij trouwde met één van Jethro’s zes dochters. Terwijl Mozes de kudde weidde bij de berg Sinaï verscheen aan hem de Engel des Heren in de gestalte van een vuurvlam midden in een braamstruik. De struik bleek niet te verbranden. Mozes werd bij zijn naam geroepen en diende zijn schoenen van zijn voeten te doen, want de grond waarop hij stond was nu heilige grond. De nedergedaalde god van Abraham, Izaäk en Jakob maakte zich bekend en gaf hem opdracht Gods volk uit Egypte uit te leiden en naar Kanaän te brengen. Vergader met de oudsten van het volk en vertel hen dat ik U zend naar de Farao. Ik zal daar met u zijn en u vurige woorden in de mond leggen. Mozes die met zoveel aandrang werd geprest om het volk Israël uit Egypte te leiden werd even later door God met de dood bedreigd omdat hij zijn zonen niet had laten besnijden. (Exodus 4:24). De ambivalentie van het archetype Zelf komt hier tot uiting.
Na een tiental plagen is de Farao zo ver dat hij het volk Israël uit de slavernij laat vertrekken. De held Mozes kreeg de functie van verlosser uit de slavernij. Zijn gezag werd immens.
Er volgde een spannende tocht door de Rode Zee en verder, vertelt de mythe, ging de weg door de Sinaï-woestijn gedurende veertig jaar. Mozes leidt het volk d.w.z. hij is de wetgevende, de rechtsprekende en de uitvoerende macht ineen. Dit leidde tot het opzetten van een bestuurlijke organisatie.
In dit woestijngedeelte van het verhaal laat de mythe de werkelijkheid helemaal los door zeer onrealistische gebeurtenissen te verhalen. Een volk van ‘zeshonderd duizend’ man ongerekend de kinderen (Exodus 12:37) kan in de woestijn geen water en voedsel vinden gedurende 40 jaar. Het is in symbolische taal de moeilijke gang door het psychische leven, of in de termen van de analytische psychologie, het individuatieproces van de leden van het Joodse volk. Als het volk rijp is en onder leiding van Jozua Kanaän intrekt en dit land verovert vestigen alle twaalf stammen zich daar op een door Jozua en de stamhoofden toegewezen gebied en is Mozes’ goddelijke opdracht uitgevoerd.
De vuurkolom als symbool van de goddelijke aanwezigheid en drager van het licht wordt ook aangetroffen bij de Griekse hoofdgod Zeus, die met zijn vuur de kwade krachten uitschakelde. DeVedische god Agni* was de god van het vuur en de zoon van de hemelgod Dyaus. Hij blijft eeuwig jong en zijn naam betekent vuur. Hij gaat gekleed in vlammen. De offers van de mensen brengt hij naar de goden. Hij beschermt de mensen en weert de kwade machten van hen af. Later wordt de liefdesgod Kama, die het liefdesvuur en de levensenergie aanzet, gezien als een meer spirituele verschijning van de god Agni. In de christelijke mythologie verwijst het vuur naar de Heilige Geest. - Het boek Job, één van de poëtische boeken. Over dit bijbelboek heeft Jung in 1952 een studie geschreven met de titel: ‘Antwoord op Job’. Jung beschouwt de uitspraken van de Heilige Schrift als uitingen van de ziel. Het psychisch proces, dat in beelden wordt uitgedrukt, wordt als volgt beschreven. ‘Het boek beschrijft de eerste hoofdrolspeler in het drama; dat is Jahweh*, een numineus verschijnsel zonder afkomst en verleden, dat wordt uitgebeeld als een archaïsche feodale vorst, een farao. In werkelijkheid is het niet mogelijk de godheid en het onbewuste Zelf van elkaar te onderscheiden als twee verschillende grootheden. Het zijn beide grensbegrippen voor transcendentale, de waarneming ontstijgende inhouden. Deze goddelijke vorstfiguur wordt gekenmerkt door de volgende eigenschappen:
- Dubbelzinnig en onbetrouwbaar, zelfs geen meineed schuwend, ondanks deze eigenschap wenst hij steeds gevleid te worden vanwege zijn ‘rechtvaardigheid’;
- Hij is meedogenloos waardoor hij op een kwaadaardig voorstel van zijn donkere zoon Satan ingaat om de trouw van Job, waar niets mee aan de hand was, wreed te beproeven;
- Hij is wantrouwend en machtsbelust. Hij laat Job door Satan beroven tot het uiterste, Jobs kinderen, personeel en vee worden gedood en hij ontzegt Job de gelegenheid om op Gods ‘rechtvaardigheid’ een beroep te doen;
- Er is sprake van amoraliteit, bruutheid en wreedheid. God is opvliegend van aard en vertoont verwoestende woedeaanvallen.
God heeft een decaloog, de tien geboden, op de Sinaï in steen gegeven en hij overtreedt zelf bij Job de verboden: Gij zult niet stelen, Gij zult niet doden, en Gij zult geen valse getuigenis spreken.
De godheid komt zo in een kwaadaardig licht te staan. God dient te worden gevreesd. Job is een respectabele Hebreeër. Hij doet vergeefs een beroep op de goede kant van God. Deze poging glijdt af. Er volgt geen genoegdoening. Het godsbeeld presenteert de negatieve schaduwkant van het archetype Zelf. (zie: Ardet non lucet*). Jung beschijft de ontwikkeling van het godsbeeld door de geschiedenis sedert Job tot heden en gaat in op de volgende punten:- Het visioen van de profeet Ezechiël (hoofdstuk 1: 25);
- Het boek Henoch, geschreven door meerdere auteurs, maar genoemd naar de zoon van Seth, de derde zoon van Adam. Dit boek stamt uit de tweede eeuw v. Chr. en bevat veel openbaringen o.m. over de zaligheid van de rechtvaardigen en het gebeuren in de natuur;
- Het boek van de Openbaring van Johannes met visioenen.
Er gebeuren daarna: a: de verwijdering van God’s donkere zoon Satan, een bedrieger en spelbreker, b: de geboorte van het goddelijk kind Jezus, dat gezien mag worden als het bewustworden van de positieve zijde van het archetype Zelf. De verdere verschijning van de god-mens Jezus, meer goddelijk dan menselijk, die de goede godswil incarneert draagt wel een duidelijke moraal met zich. Uit de geboden gegevens komt te voorschijn een veranderd godsbeeld met accent op welwillendheid, trouw en rechtvaardigheid. Zichtbaar wordt zo de positieve kant van het archetype Zelf.
Het christendom zou zich niet met zo’n verbazingwekkende snelheid in de antieke wereld hebben kunnen verbreiden, wanneer er geen analoge pychologische bereidwilligheid aan de christelijke voorstellingswereld zou zijn tegemoet gekomen.
Het archetype Zelf heeft zoals alle archetypen, een positieve en een negatieve zijde. De ambivalente* God die zowel kwaad als goed van aard is, vormt het antwoord op Job, die alleen de kwade kant heeft ervaren. Bisschop Clemens Romanus* van 88-97, stelde dat God de wereld regeert met een goedwillende rechterhand en met een kwaadwillende linkerhand, resp. Christus en Satan. De tegenstellingen zijn in één God verenigd. De openbaring van God betreft dan ook beide aspecten. (Zie Jungs artikel in Listen, Januari 1960) Literatuur: C. G. Jung. ‘Antwoord op Job’ met name het Nawoord; - Psalm 23. De goede herder. Een toezegging van levensleiding zoals beschreven in religieus besef. Deze psalm, die stamt uit een samenleving die leeft volgens het Algemeen Menselijk Patroon (Zie de tekst: Primitieve Geestestoestand*) vertelt van een kudde en een goede herder. Het ontbreekt de kudde aan niets. Rust, voeding, drinken en veiligheid voor wilde dieren zijn gewaarborgd door de moedige herder. Het is een beeld van een sterk collectieve samenleving.
De schapen zijn van nature sterk afhankelijk van de herder. Maar wanneer de kudde als beeld moet dienen van de huidige menselijke samenleving dan zouden tegen dit beeld van een rustig grazende kudde op de hei, toch wel enige wezenlijke bezwaren rijzen. Er is weliswaar welvaart maar met een éénhoofdige feodale machtshebber rijzen er ernstige bezwaren van ontbreken van enige inspraak en betrokkenheid over de toekomstplanning.
Bedenk dat een kudde schapen is bestemd voor de wol- en vleesmarkt en de herder is de verkoper van de schapen. Het schaap leeft in belang van de goede herder. Je kunt om des levenswil beter de herder en de kudde niet volgen. De individuele ontwikkeling van de mens krijgt in de kudde geen kans. Deze psychologie werd door Marie-Louise von Franz de schaapspsychologie* genoemd. Een kudde met een herder leidt tot een sterk afhankelijk en infantiel houden van de leden van de kudde. Beter is het: ‘Do it your own way”.
Nieuwe Testament
- Lucas 2: 1-20. De kind-god. Geboorte in Bethlehem. In het evangelie van Lucas staat het verhaal van de geboorte van het goddelijk kind Jezus. Het kindmotief in de mythologie en folklore manifesteert zich in de folkloristische figuren van dactylen*, kabieren*, kabouters*, dwergen* of elfen*. Het zijn personificaties van de verborgen krachten in de natuur.
Het archetype van het goddelijke kind is in de mythologie een veel voorkomend en vertrouwd beeld. Een kind-god is niet minder machtig dan een god met volwassen menselijke gedaante. De kind-goden vallen buiten de goddelijke hiërarchie. Als bijverschijnselen van de kind-god treden op sterren (drie koningen), koningen (Herodus) , maagdelijke (Maria) of buitengewone geboorte b.v. uit de zijde van de moeder zoals bij Boeddha. Ook de kerstgeschiedenis van Lucas 2 vermeldt al deze begeleidende verschijnselen. Als illustratie van kind-goden enige voorbeelden:
De Griekse goden Apollo*, Hermes* en Dionysos* hebben in hun eeuwig jeugdige en tijdloze verschijning een eigen mythische functie en betekenis. De kind-god Apollo wordt afgebeeld als een peuter zittend op een zwemmende dolfijn met een bloem in zijn haar. De zee is hier het favoriete symbool van het onbewuste;
Het kind Hermes werd in een grot, de plaats van de primaire chaos, geboren. Kind-goden zijn kwetsbaar zoals alles wat groeit. Zij worden vervolgd en bedreigd door vijandige krachten (Mattheus 2:13-18), uitgebeeld door draken en slangen. De nieuwgeboren lichtbrenger wordt niet welkom geheten.
Ook de moeders, resp. Leto, Maia en Semele waren bedreigd. De Egyptische mythologie kent Harpokrates*, het zon-kind Horus dat zijn vermoorde vader Osiris zal wreken.
Het Finse epos Kalevala beschrijft het weeskind Kullervo, dat door water, vuur en lucht niet te doden was.
Het Hindoe-epos Mahábharata beschrijft de kind-god Narayana, die de god van het universum bleek te zijn. Zijn naam betekent: ‘Hij die de wateren (nara) als woonplaats heeft’.
De Polynesische mythologie kent de kind-god Maui, die door zijn goddelijke moeder bij het strand in het schuim van een golf wordt gebaard, in zeewier gekleed en door vissen beschermd.
De uitingen van het kind-archetype, die evenals alle andere archetypen niet van de wil afhankelijke manifestaties van onbewuste processen zijn, worden gevonden in mythen, sprookjes, dromen, visioenen en in psychotische fantasievoorstellingen. Dit onpersoonlijke onbewuste ‘spreekt’ dan in beelden over het voorbewuste kindaspect, dat wat bewust staat te worden, vanuit het collectief onbewuste. Het kindmotief symboliseert de mogelijkheden van nieuwe groei en ontplooiïng van ongebruikt gebleven potenties in mens of samenleving.
Het kindmotief wijst naar een losmaking van de moeder, een ontwikkeling tot onafhankelijk worden, anticipeert op een groeiend bewustzijn en op de rijping naar een zelfstandige persoonlijkheid. Het kindmotief plaveit de weg naar een toekomstige verandering van de persoonlijkheid.
Het kind-archetype is op de toekomst gericht en nauw verbonden met het archetype Zelf, dat met drang en dwang naar zelfverwerkelijking streeft. Het brengt in beeld het individuatieproces dat het leven zijn dynamiek schenkt.
De geboorte van de god-kind Jezus vindt plaats op een keerpunt in de tijd waarop de primitieve geestestoestand*, het Algemeen Menselijk Patroon (zie geschiedenisschets*), zich wendt naar een ruimer en meer ontwikkeld bewustzijn gestimuleerd door het werk van de Griekse filosofen, een toenemende individuatie, een grotere bestuurlijke schaal dan stam en volk zoals het Griekse en Romeinse wereldrijk aantonen, een geleidelijk toenemende welvaart vanaf de elfde eeuw, een geleidelijke losmaking van de conservatieve instelling en de vergroting van de betekenis en liefst ook van de beheersbaarheid van de empirische wereld. Het is in de ontwikkeling naar deze nieuwe cultuur dat het Christendom zijn impact, inwerking zou krijgen. - Mattheus hoofdstuk 13: 44 De schat in de akker. ‘Het koninkrijk der hemelen is te vergelijken met een schat, in de akker verborgen, die door een mens is gevonden. Hij verborg de schat en van blijdschap over de schat, gaat hij heen en verkoopt alles wat hij heeft en koopt die akker’. De akker is de menselijke ziel, het bewuste en onbewuste deel en daarin ligt de schat, de individuatie, verborgen. Bij de term ‘schat’ vullen de mythische verhalen deze in met juwelen, of parels zoals in de roman ‘De Parel ‘ van John E. Steinbeck, 1947, met de kelk, zoals de graal uit de gelijknamige, middeleeuwse legende, met een gouden ei, dat uit de zee voortkomt, zoals het wereldei Hiranyagarbha, dat gelegd is door de eerste oorzaak en waaruit de hindoegod Prajapati, (Brahma) voortkomt, een gouden bloem*, een gouden bol, een mandalacentrum of een quaterniteit*. Het koninkrijk der hemelen is een paradijselijke term van Jezus, de godsdienststichter van het christendom. De term verwijst naar een toekomstperspectief met een bekronend mythisch karakter. De inhoud betreft een niet-empirische werkelijkheid die meebrengt vernietiging van Satan en demonen, van andere vijanden Gods, genezing van bezetenen en zieken, een eeuwig leven, liefde, rede en rechtvaardigheid brengend. In psychologische zin is Jezus een symbool van het archetype Zelf dat de psychische ontwikkeling stuurt en aanzet opdat een mens zijn individuatieproces zover mogelijk kan realiseren. Dit onbewuste ontwikkelingsproces van zuigeling tot verantwoording dragende volwassene wordt als ‘schat’ beschreven.
Deze centrale autoriteit in het onbewuste gaat uit van een voorbeschikte heelheid die naar verwerkeling streeft, het individuatieproces. Dit proces van de verwerkelijking van een aanwezig groei- en ontwikkelingsblauwdruk wordt benoemd als een kostbare schat in de akker van het onbewuste. Wat een mens bij de geboorte aan talenten heeft meegekregen dient hij ten dienste van de samenleving te ontwikkelen; - Lucas 18: 9-14. De Farizeeër die zijn schaduw* niet zag en zich niet bewust was van zijn slechte eigenschappen. In de gelijkenis bidt de orthodoxe schriftgeleerde het volgende gebed: ‘O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers of ook als deze tollenaar.’ De arogante schriftgeleerde bad niet maar dankte god. God zal denken wie heeft jou ooit gezegd dat jij beter bent dan die anderen. De tollenaar bad: ‘O God, wees mij, zondaar genadig!’ en hij keerde gerechtvaardigd en getroosd naar huis terug. De tollenaar is zich wel bewust van zijn schaduwzijde en heeft daarmee de eerste stap gezet om zijn slechte eigenschappen in beheer te nemen;
- Handelingen 2. Het verspreiden van een nieuw Godsbeeld. ‘Ik wil geen rook, geen as, ik wil vlammen’.
In ‘De Handelingen der Apostelen’, hoofdstuk 2 is er sprake van een verandering van het gangbare Godsbeeld van Jahweh. Deze is aanvankelijk nog verwant met de latere figuur van God, de Vader. Bij de doop in de Jordaan omstreeks 30 na Chr. (Mattheus 3; 13-17) wordt het godsbeeld van de Vader uitgebreid met de goddelijke figuur Jezus, de Zoon. Op Pinksterdag 33 na Chr. wordt een derde manifestatie van het Zelf, het goddelijke, geopenbaard t.w. De Heilige Geest. Pinksteren is net als tijdens Jezus’ geboorte een groot creatief moment van het Zelf geweest.
Bij dit ontwerpen van een nieuw concept van de niet-empirische wereld is het archetype Zelf actief geworden. Op de hoofden van de gelovige deelnemers waren tongen van vuur te zien. Het symbool van het vuur was vertrouwd bij Jahweh (brandende braamstruik in Exodes 3: 2; Vuurkolom in Exodes 13:2 en Numeri 14:14, de God die met vuur zal antwoorden, 1 Koningen 18: 24, Is niet mijn woord als het vuur?, zei de Heer, Jeremia 23: 29). Ook bij Jezus komt het beeld van het vuur voor. Thomas-evangelie 10 Jezus zeide: Ik heb een vuur geworpen op de wereld en zie, ik bewaar het tot zij brandt. 82 Wie Mij nabij is, is nabij het vuur; en wie ver van Mij is, is ver van het koninkrijk. Er is op Pinksteren sprake van een nieuw vuur, een magisch gebeuren dat tot inspiratie leidt. In Handelingen 2: 6 staat dat iedere persoon uit het gehoor Petrus hoorde spreken, niet in het toen gangbare aramees, maar in zijn eigen taal. Deze eenheidstaal verwijst naar een bedoeling om de stam- en volksgrenzen te overschrijden. Voortaan is de religie niet meer uitsluitend bestemd voor de eigen groep, zoals het Joodse geloof er alleen is voor het Joodse volk en het hindoeïsme er alleen is voor Indiaërs. Om aan deze expansieve krachten van de nieuwe religie te voldoen diende er een duurzame en op schrift vastgelegde tekst te komen. In de loop van de komende decennia werd het Nieuwe Testament als heilig boek samengesteld.
Paulus, de zendeling, krijgt een droom waarin een Macedonische man, het symbool van Europa, hem oproept om naar Europa te komen (Handelingen 16: 6-10). De schaalvergroting van de religieuze basis buiten stam en volk betekent dat het vijandsbeeld van de niet-stam- en niet-volksgenoot dient te verdwijnen. Men dient ook barmhartigheid voor déze mensen te hebben. De komst van het christendom naar Europa heeft voor deze nieuwe religie een lange levensduur en een grote invloed op de culturele ontwikkeling tot gevolg gehad.
De verklaring tot geoorloofde godsdienst in 313 door de Romeinse keizer Constantijn I de Grote, 280-337, heeft de verbreiding in West-Europa en de invloed van het in de eerste eeuwen niet-agressieve christendom zeer versterkt. Pas na negentien eeuwen bereikte het christendom zijn grenzen; - Handelingen 9:1-31. De ommekeer van Saulus in Paulus. Enantiodromie*.
De geschiedenis van Paulus, die als vervolger van de christenen op weg was naar Damaskus ervoer vlak bij de stad een auditieve hallucinatie. Hij was als joodse farizeeër, een schriftgeleerde geworden van de traditionele Joodse religie. Mogelijk heeft deze rationele, wat gefossileerde synagogeleer hem niet bevredigd wegens het gebrek aan dynamiek.
De vervolging van de christenen heeft hem geconfronteerd met de visie van hun leider Jezus. Deze figuur was hem gaan boeien. De geschiedenis geeft de enantiodromie* in zijn psyche weer (Grieks enantios is tegenover, dromos is snelle beweging). Van vervolger zie je hem omkeren tot een gelovige en evangelist. Wanneer een psychisch proces aan een stopfase is gekomen gaat het verdere proces in tegengestelde richting verlopen. Van zijn hand zijn er dertien brieven in het Nieuwe Testament opgenomen.
Literatuur.
- Bijbel. Nederlandse vertaling. Nederlands Bijbelgenootschap. 1951;
- Edinger. E. F. Ego and Archetype, 1974;
- Gerland. G. Der Mythos von der Sintflut. 1912;
- Rollins. W. G. Jung and the Bible. 1983;
- C. B. Hanna. The Face of the Deep. The religious ideas of C. G. Jung. 1967;
- C. G. Jung and C. Kerény. Introduction to a science of mythology. 1970;
- C. G. Jung. Christ, a symbol of the Self. Aion. CW. 9ii, pars 68-126;
- C. G. Jung. Christ as Archetype. CW.11, pars 226-242;
- C. G. Jung. Father, Son and Spirit. Psychology and Religion; West and East. CW. 11.pars 194-206;
- C. G. Jung. The Holy Ghost. Alchemical Studies CW, 13, pars 194-199;
- C. G. Jung. Symbolism of the Cross. Dream Analysis, pg 362-366;
- C. G. Jung. Mythic Features in Christian Doctrine. Letters Vol 2, pg 210-208; pg 74-78; pg 133-138;
- C. G. Jung. Antwoord aan Job. 1978. Apart verschenen. Later ook opgenomen in Deel 4, Verzameld Werk. 1986.
