De eeuwige jongeling

Begrippen, termen en namen met een * zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus’.

De weg naar de eeuwige jongeling is uitgezet aan de hand van een drietal samenhangende pericopen, tekstfragmenten met elk een eigen thema. Zij dienen als routepaaltjes voor de gedachtengang. Het betreft:

  1. Gedachten over het centrale archetype Zelf
  2. Wervelingen in de sociale omgeving van West-Europa
  3. Nadere beschrijving van de Eeuwige Jongeling

1 Gedachten over het centrale archetype Zelf
Wij beginnen bij de kiem van de persoonlijkheid te weten het centrum van het archetypische systeem, dat door Jung wordt benoemd als het Zelf en ook wel als de twee miljoen jaar oude man die de collectieve wijsheid ten dienste van de overleving beheert. Deze wijsheid is in de loop van millenia opgebouwd. Deze wijsheid is evenals ons lichaam een product van de evolutie, waar Charles R. Darwin, 1809-1882, ons in 1859 en in 1871 over schreef.
In den beginne was het Zelf en hieruit groeide het Ego. Beide zijn daardoor van dezelfde stof. Het mythische Jezus-woord (Joh10:30): Ik (het bewustzijn) en de Vader (het onbewuste) zijn één verwijst hiernaar. In de Griekse mythologie komt de ééneiige tweeling de Dioskuren voor. Het zijn zonen van Leda en Zeus, de ene zoon heet Pollux en is onsterfelijk (het onbewuste) en de andere zoon heet Castor en is sterfelijk (het ego). Het Zelf en het ego houden een levenslange dialoog, die vooral des nachts plaats vindt. Deze dialoog wordt wel aangeduid als de Ego-Zelf-as. Het is de ‘wervelkolom’ van de te ontwikkelen individualiteit en de psychische autonomie.
Het ego staat tot het Zelf als de bewogene tot de beweger. Het ego is een satelliet van het Zelf.
De functie van dit besturende centrale archetype is het in de loop van de psychische ontwikkeling die archetypische krachten aan te reiken aan het bewustzijn, die bij de aanwezige ontwikkelingsfase passen, om deze daar in het bewustzijn te doen actualiseren. Deze krachten volgen de oude beddingen die door de evolutie zijn aangebracht.
Jung stelde dat er evenveel archetypen zijn als er voor de overleving relevante situaties voorkomen. Lopen we er enkele na, het eerste is:

  1. Het moeder-archetype van de voedende, beschermende en altijd aanwezige moeder. Dit archetype bevordert bij gunstige beantwoording door een vertrouwen scheppende eigen menselijke moeder een zowel fysieke, intellectuele als sociale ontwikkeling.
  2. Het ouder-archetype doet het kind beseffen dat hij twee ouders heeft en dit brengt een verruiming van zijn wereldje te weeg.
  3. Het vader-archetype wordt werkzaam omstreeks het vierde jaar en is dan van belang voor het voorbereiden en inleiden van het kind tot het harde leven van beroep, economische en sociale zelfstandigheid.
  4. Het vriend-vijand archetype dat leert onderscheiden tussen vertrouwde en bedreigende personen. Dit archetype wordt ook wel aangeduid met in- en outgroep-archetype, Dit bevordert het ontstaan van een collectieve identiteit door het afgrenzen van de eigen gezin, familie, stam en volksgroep.
  5. Het morele archetype dat werkt bij het proces van de verinnerlijking van de goed en kwaad onderscheidingen, die in de cultuur, waarin men geboren is en opgroeit, gelden.
  6. Het peer-archetype dat aanzet tot een gezamenlijke groepsverkenning van de omgeving samen met een peergroep van leeftijdsgenoten.
  7. De anima/animus die o.m.bij de partnerkeuze van belang wordt. Zij trekt met name de zoon los van de moeder. Zij brengt verder boodschappen uit het onbewuste naar het bewustzijn.
  8. De held die het ambitieniveau aanzet en hem roept tot de daad. Met het mythisch verslaan van de draak verwerft de held zijn zelfstandigheid, d.w.z. zijn moederbinding wordt losser gemaakt.
  9. Het sociale archetype dat aanzet tot de ontwikkeling van sociale vaardigheden voor de omgang met de medemens, o.m. het doen groeien van de empathie, dat is het begrijpen en aanvoelen van de emoties van anderen. Hiertoe behoort ook de archetypische kracht die leidt tot de houdingen van domineren en onderwerpen waarmee een hiërarchie in een groep tot stand wordt gebracht.
  10. Het religieuze archetype dat ons leert om vrede te vinden met de geweldige krachten die boven ons sterfelijk hoofd zijn gesteld en die mede van invloed zijn op het vinden van een collectieve identiteit, een groepscohesie. Het individuatieproces zet zich voort naar …
  11. Het archetype van de wijze, oude man resp. Sophia, de meest vergeestelijkte uitdrukkingen van de animus en anima.

Er moet veel gebeuren wil er uit een gezonde zuigeling een wijs en verstandig mens groeien.

Men denkt zich het psychoïde deel van het Zelf gezeteld in de hersenstam en de aangrenzende hypothalamus, dicht bij de hypophyse. Dit laatste is een klier die via hormoonafscheiding o.m. de besturing regelt van de groei van het lichaam en de sexuele rijping. Als de spiegel van het testosteronhormoon in de adolescentie dertig maal hoger wordt dan deze bij het kind eerder was, dan is er ook archetypisch werk aan de winkel. Er zal ook een verbinding aanwezig zijn tussen het Zelf en het DNA, de erfelijke stof die in samenwerking met de hormoonklieren de lichamelijke groei en ontplooing regelt.
Men denkt zich de biogrammatica, het groeiplan van de lichamelijke rijping gekoppeld aan de archetypische grammatica van de individuatie, die met kleine stapjes van het ene evenwicht naar een nieuw evenwicht voortschrijdt. Men stelt zich een co-existentie van psyche en lichaam voor in het protoplasma met name in dat van de zenuwcellen. Het protoplasme is de grondstof van het leven.

2 Wervelingen in de sociale omgeving van West-Europa
In de loop van de twintigste heeft er in West-Europa een culturele werveling plaats gevonden. Na de eerste wereldoorlog hebben de overlevenden zich gestort in een hedonistische, lustzoekende roes, die al spoedig door een dalende economie werd verstoord.
Na de tweede wereldoorlog met zijn vele doden kwamen er bij de jonge generatie van 15 tot 30 jaar al protesterend een cluster van wensen op betreffende de toekomst en de opbouw van de samenleving naar voren te weten:

  1. Een sterke anti-autoritaire kracht die erop gericht was om de bestaande machtsverhoudingen grondig te veranderen. Dit betrof het weghalen van de macht bij het bestaande establishment, de gevestigde orde, om deze onder te brengen bij de protesterende peergroepen, die overigens niet helder konden vertellen wat zij er mee wilden gaan doen.
  2. Een anti-sexistische kracht die streefde naar een minimalisering van de fundamentele verschillen tussen man en vrouw. De gangbare wetten zijn in de traditie vastgelegd door vele generaties dominante mannen en zijn daarmee eenzijdig bepaald. Een stijging van de status van vrouwen werd nagestreefd en ook bereikt. De opgeroepen onrust heeft geleid tot een betere toegang van de vrouw tot de arbeidsfeer en door middel van de nieuwe anticonceptiva tot het vermijden van ongewenste zwangerschappen. De vrouw kon haar vruchtbaarheid voortaan volledig zelf beheren.
  3. Een anti-elitaire kracht die de aangeboren verschillen in begaafheden tussen de mensen ontkende en alles toeschreef aan sociale invloeden die veranderd dienden te worden. Klasseverschillen moesten verdwijnen. Er volgden eindeloze discussies over natuur (aangeboren) en cultuur (aangeleerd). Verander de samenleving en alle problemen, inclusief de criminaliteit, lossen zich dan op, was een slogan. Een egalitaire samenleving van gelijken werd als een element gezien van de nieuwe heilstaat ‘ Nieuw Babylon’.
  4. Een desoriëntatie in de beleving van waarden en normen. De geldende waarden en normen zouden de vrijheid of ongebondenheid ontoelaatbaar frustreren. Deze dienden alle op de helling te worden getrokken en kritisch bekeken in een revisiebeurt.
  5. Een afname van de gevoeligheid voor kwaliteit in de humane sfeer. Er diende in de wereld van de jeugd geen onderscheid meer voort te bestaan tussen een denkende elite en de groep van werkers. Zijn niet alle verschillen ontstaan door sociale invloeden? De instroom van veel minder begaafde studenten dan vóór 1960 regel was, leidde tot een daling van het onderwijsniveau van de universiteiten ná dat jaar.

Een hedonistische, roeszoekende neiging heeft geleid tot een groot aantal verslaafden aan soft en hard drugs en alcohol. De werkers aan de Jellinekkliniek te Amsterdam kunnen U daarover veel vertellen.

Voorbeelden

Enige voorbeelden van de anti-autoritaire praktijk uit de jongste geschiedenis van West Europa, waarbij de gebeurtenissen in Antwerpen, Keulen, Madrid en Warschau buiten beschouwing kunnen blijven daar deze kortdurend en beperkt zijn geweest. Echter in Duitsland kwam in een aantal grote steden tijdens de periode 1964 tot omstreeks 1975 de ‘Rote Armee Fraktion’ in actie. In een anarchistische stijl sprak deze groep zich uit tégen alle soorten van gezagsdragers in alle hiërarchische organisaties en zette zich in vóór grondige maatschappelijke hervormingen. Met brandstichting, bankovervallen, bomexplosies, enkele tientallen moorden en vele pogingen daartoe spraken de jongerengroeperingen duidelijk uit dat zij het gestelde doel ernstig namen. Een groot deel van de ‘Fraktion’ en haar opvolger de ‘Beweging van de tweede Juni’ werd opgepakt en langdurig gevangen gezet. De opstand werd bezworen.

In Parijs Mei 1968 brak een studentenopstand uit die geen grote gevolgen had. De Minister van onderwijs A. Peyrefitte trad af en de studenten kregen enige inspraak in het onderwijsprogramma van de universiteiten.
Ik woonde die maand in Parijs en op vier vrijdagavonden was er een revolutiefeest met traangas en charges van de politie te beleven. Er vielen vier doden, enige auto’s branden uit, enkele winkelglazen scherfden naar beneden en in de ambassade van de USA kwam een brandbom terecht. Er waren veel (± 10 000) studenten bij betrokken. Velen discussieerden eindeloos in de Sorbonne-universiteit. Er was toen in Parijs veel geschreeuw en weinig wol.

In Amsterdam en Rotterdam speelden zich in de periode 1963 tot 1974 happenings af die geleid werden door Provogroepen, na 1969 door Kabouters, die de Oranje Vrijstaat aan het oprichten waren en door Flower Powerjeugdigen. De eerste happening op het Spui vond plaats medio 1965. In tegenstelling met de destructieve revolte in Duitsland was de werveling in Nederland vrijwel geweldloos en speels van aard. Met happenings in de avond en weekends, sporadische demonstraties en vernielingen aan ambassades werd treiterig en uitdagend vanuit een onbehagen geprotesteerd tegen het gevestigde locale en nationale gezag. De gezagdragers werden regenten genoemd. De Provo’s zagen de gevestigde orde als ongastvrij en voelden zich niet uitgenodigd om er aan deel te nemen. Van hun onvervulde wensen werd de schuld op de samenleving geprojecteerd. Er werd in Provo-kringen wel gesproken over een verandering in de status quo van de samenleving maar tot een heldere bewustwording van een nieuwe hen bevredigend beeld van een samenleving is het nooit gekomen. De aard van hun protest was sterk emotioneel gedreven (onlust en agressie). De jongeren hadden een grote twijfel over hun toekomst in een maatschappij met hoge toegangsdrempels. De blauwdrukken van een betere toekomst waren niet voor handen.

Men kan de natuur niet duurzaam weerstreven. De boven bescheven rebellering dwarsboomde archetypische krachten.
Al bij de zoogdieren en primaten zijn sterke archetypische krachten werkzaam die alle gericht zijn op overleving. Deze leiden naar groepscohesie, hiërarchische ordening met een besturende top en het in stand houden van onderlinge discipline. Het zijn alle kenmerken die noodzakelijk zijn om als samenleving te overleven. Men kan de archetypische krachten die in de natuur werkzaam zijn niet duurzaam weerstreven.

3 De eeuwige jongeling, Puer aeternus (eeuwig kind)
Een (deel)verklaring van deze gebeurtenissen werd beschreven door Mitscherlich in zijn boek “Op weg naar een vaderloze samenleving’ uit 1965. Dit boek beschrijft een verzwakkend proces van het vadermodel in de loop van de twintigste eeuw. De figuur van de vader is door de frequente echtscheidingen in vele gezinnen vager geworden of zelfs verdwenen. Een drukke werkkring kan leiden tot veel afwezigheid van de vader. Een tv-spot met een tekst uit de kindermond: ‘Wie is toch die man die hier zondags het vlees komt snijden ?’ illustreert dit. Ook een niet tot een sterke persoonlijkheid uitgegroeide vader mist met zijn zwak vader-model een inspirerende invloed op zijn kinderen. De daling van het Vadergezag werd ook collectief bezongen onder meer in de musical ‘Heerlijk duurt het langst’ van Annie M.G.Schmidt. Daarin klinkt een lied over de Vader-figuur ‘Op een mooie Pinksterdag’. De geest die toen in 1956 over de Vader werd uitgestort bevatte voor hem alleen spot en hoon:

Vader was een mooie held
Vader was de baas
Vader was een duidelijke mengeling
van Onze Lieve Heer en Sinterklaas

Om dan om te slaan in:

Vader is een hypocriet
Vader is een nul
Vader is er enkel en alleen maar voor de centen en de rest is flauwe kul

De vader-archetypische krachten blijken in de tweede helft van de twintigste eeuw moeite te hebben zich op de juiste tijd te activeren in het bewustzijn terwijl de samenleving een verblekende vaderfiguur toont. Onderzoek wees uit dat het vader-archetype werkzaam wordt rond het vierde levensjaar en lange tijd werkzaam blijft. Als gids naar volwassenheid en bij het opgenomen worden van de zoon in een hoogdrempelige samenleving lijkt de vaderfiguur in de tweede helft van de twintigste eeuw weinig inspiratie en veel gemengde gevoelens op te roepen. Dit brengt de psychische ontwikkeling van de zoon in gevaar. De Vader is zijn morele en voorbeeldgezag aan het verliezen in het gezin, evenals de Vadergoden dat ervaren in religieuze gemeenschappen. De status en daarmee het gezag van vadervarianten als predikant en priester daalt sterk mee. De zoon verliest mogelijk daardoor in zijn groeiplan het contact met zijn archetypische wortels. Hij dreigt door dit frusteren van archetypische krachten op het juiste moment van zijn groei een ‘drop-out’ te worden van zijn samenleving.

Archetypische krachten dienen afgestemd te worden op een passende sociale omgeving willen deze geactualiseerd kunnen worden. Als die afstemming gemist wordt is er een grote kans dat zonen van vage of afwezige vaders gaan lijden aan het persoonlijkheidsbeeld van de eeuwige jongeling, ook wel puer aeternus, eeuwig kind genoemd. Het intreden van de volwassenheidsfase vindt dan niet plaats in de periode van 18 tot 30 jaar en soms nooit. De drempel naar de volwassenheid met de vele verantwoordelijkheden, verplichtingen en een vast relatienet blijkt voor hen bijna onneembaar te worden.

Dit persoonlijkheidsbeeld laat zich als volgt kenmerken door:

  1. een sterke behoefte aan vrijheid.
    Deze leidt tot weerstanden om zich te binden in een arbeidsrelatie en in een erotische relatie. Hij laat zich door een geringe neiging om zich voor geregelde vaste arbeid in te zetten, moeilijk inpassen in een gediciplineerde werksfeer en als hij over zijn werk spreekt is er altijd wel ‘a hair in the soup’.
    Veel van de eeuwige jongelingen kiezen voor een veel afwisseling brengend beroep waaronder autocoureur, acrobaat, stuntman, stierenvechter, oorlogsvlieger, oorlogsverslaggever, oorlogsvrijwilliger. Uit deze beroepskeus laat zich een tweede kenmerk aflezen en wel…;
  2. het intensief willen doorleven van de eerste levenshelft.
    Er is een behoefte om sterke vitale gevoelens die door het gehele lichaam trekken te willen beleven. Door het ervaren van gevaren van leven en dood geeft de adrenaline hen de kick die zij zo graag willen beleven;
  3. een hedonistische, lustzoekende mentaliteit.
    Deze leidt naar de wens om ontspannen van vacantie naar vacantie te willen leven. Deze neiging bevat het gevaar om van alcohol en drugs afhankelijk te worden;
  4. een narcistische instelling die leidt tot het spaarzaam aangaan van bindende relaties.
    Hij streeft alleen naar kortdurende oppervlakkige erotische relaties op een Don Juaneske manier en trekt zich niets aan van het verdriet dat hij bij zijn vrouwelijke partners teweegbrengt. De vele gehuwde adolescenten tonen een hoge kans op echtscheiding. Hij gaat verder op zoek naar de ideale vrouw, die echter op de planeet aarde niet woonachtig zal blijken;
  5. een beperkte bekwaamheid in het hanteren van sociale vaardigheden;
  6. een vaak aanwezige introverte instelling.
    Bij deze psychische instelling handhaaft de persoon zichzelf en zijn bewuste bedoelingen en doeleinden tegenover de eisen van de buitenwereld. Hij gunt aan zijn eigen gedachten, gevoelens en handelen de doorslag. Als de feiten van de buitenwereld er niet geheel mee in overeenstemming zijn dan betreurt hij dat voor de feiten. Hij schuift tussen beide een selecterende, subjectieve mening. Zijn belangstelling is vooral geconcentreerd op innerlijke processen;
  7. een romantische visie op het leven.
    Zijn gevoelens en fantasieën kleuren zijn werkelijkheidsbeeld in. Hij herinnert zich zijn jeugd veel mooier en boeiender dan deze in werkelijkheid is geweest. Het scheppen en onderhouden van enige afstand tot de werkelijkheid maakt deze mooier en fascinerender dan deze in dicht contact met een concrete werkelijkheidszin wordt beleefd;
  8. een voorlopige levensopvatting.
    Hij leeft in het hier en nu en maakt zich over zijn toekomst geen zorgen. De toekomst ziet er geweldig uit naar zijn zeggen;
  9. een sterke neiging om het nemen van verantwoordelijkheid te ontwijken;
  10. een neiging om te gaan reizen en een ‘compulsive traveller’ te worden, die nergens langdurig rust kan vinden en steeds verder naar elders wil. Altijd onderweg ergens heen;
  11. een sterke moederbinding.
    Het zijn mamma boys, fils à mama. Deze binding leidt er toe dat hij wel om liefde vraagt maar zelf niet goed in staat is om liefde te geven. Het niet los kunnen raken van de binding met de moeder vormt een sterke belemmering om te komen tot een autonome leefwijze. Dit leidt in de loop van de tijd tot een afname van het élan vital, de intensiteit van het levensgevoel. Als men niet wil / kan groeien neemt de groeikracht, de levenspotentie af;
  12. een verhoogde sterftekans tussen 30 en 50 jaar.

In de naoorlogse periode is er een endemie, (het voorkomen van een afwijking gedurende langere tijd in een omschreven gebied), ontstaan van personen met dit persoonlijkheidsbeeld. In dit jaar (2005) deden Amerikaanse werkgevers uit velerlei arbeidsferen de uitspraak dat vele afgestudeerden van middelbaar en universitair niveau, die naar werk solliciteerden, moesten worden afgewezen op grond van de bovengenoemde persoonlijkheidskenmerken. Men gaf een sterke voorkeur aan personen van 40 jaar en ouder. Deze afwijzende werkgevershouding bevordert het uitbesteden van werk naar India en elders, de zgn.outsorcing.

Dit persoonlijkheidsbeeld van de eeuwige jongeling is al lange tijd bekend.
In de Griekse mythen is de figuur van Ikaros bekend. Bij zijn ontsnappingspoging uit het labyrinth op Kreta, ging hij, ondanks de instructies van zijn vader Daedalos te hoog en te dicht bij de zon vliegen. Hij had veel plezier in zijn grote, zwiepende vleugels. Zijn met was bevestigde vleugels lieten los door de warmte en hij viel in zee en verdronk. Hij spoelde aan op een klein Grieks eiland alwaar hij werd begraven. Het eiland werd naar hem vernoemd als Ikaria.
We noemen enkele bekende historische figuren met deze persoonlijkheidstructuur.

De Franse filosoof Jean Jacques Roussau, 1712-1778. Hij verwekte vijf kinderen bij het dienstmeisje Thérèse Levasseur met wie hij een langdurige en veelvuldig onderbroken relatie had. Hij bracht zijn kinderen naar een vondelingentehuis. Hij was een onafhankelijke man die zijn leven lang wars was van alle etiquette. Hij reisde veel door Europa. Hij ontplooide zich als muziekestheticus, politiek-theoreticus, roman- en blijspelschrijver en pedagoog.

De Engelse dichter Percy B. Shelley, 1792-1822, overleed op dertigjarige leeftijd in Italië. Hij was welgesteld en woonde met zijn tweede vrouw in Italië. Tijdens een zeiltocht verdronk hij in de Middellandse zee. Hij liet een aantal sublieme gedichten na die inspirerend hebben gewerkt op de Nederlandse tachtigers Jacques Perk ern Willem Kloos.

De Franse schrijver-vliegenier Antoine de Saint-Exupéry, 1900-1944. Hij vloog van zijn een en twintigste levensjaar tot zijn dood op vier en veertige jarige leeftijd. Hij overleefde zeven vliegtuigongevallen. Hij beschreef het leven als het bestijgen van een gladde, slipperige berghelling die geen genade kent als de pogingen verslappen. Wanneer hij niet vliegen kon raasde deze motorisch onrustige man met zijn auto over de Franse wegen. Altijd onderweg ergens heen. Hij voelde zich nooit gelukkiger dan wanneer hij op weg was. Hij schreef:’ Vliegen is mijn hoogste bevrediging in het leven. Het is net zo iets als liefde’.
In zijn boek ‘Rijk der Mensen’1939 geeft hij een prachtige beschrijving tussen de dagelijkse wereld, die hij niet zo waardeerde en de wereld met romantische vergezichten die hij verheerlijkte.

Fragment uit het werk van Antoine de Saint-Exupéry is: ‘Wanneer in de tijd van de trek de wilde eenden voorbij komen, verwekken zij merkwaardige beroeringen in de streken waar zij overheen vliegen. De tamme eenden schijnen aangetrokken te worden door die grote vlucht in driehoekige vorm en maken een lomp sprongetje omhoog.
De wilde roep heeft een wilde drang in hen gewekt. En voor een kort moment zijn zij de eenden op de boerenhoeve veranderd in trekvogels. In dat harde kopje, waarin alleen maar de gedachte aan de poel, aan wormen en de zon leefde, beginnen plotseling uitgestrekte werelden te verrijzen. Zij worden getrokken door de bekoring van de zeewinden en het wijde watervlak. Het dier wist niet dat in zijn hersens ruimte genoeg was om zoveel wonderen te bevatten en plotseling slaat het z’n vlerken uit. Het minacht het graan en het minacht de wormen. Het wil een wilde eend zijn.’

De Amerikaanse vliegenier Charles A. Lindbergh, 1902-1974. Werkte in een rondtrekkend vliegcircus tot 1924. Hij werd later postvlieger. Op 20 en 21 Mei 1927 vloog hij zonder tussenlanding geheel alleen in een één-motorige hoogdekker ‘Spirit of Saint Louis’ van New York naar Parijs. Hij werd hierdoor wereldberoemd. Later werkte hij als luchtvaartadviseur.

De Nederlands dichter Henry Marsman, 1899-1940. Publiceerde tussen 1923 tot 1940 zeven dichtbundels. Hij was de verkondiger van het vitalisme. Hij verzamelde zijn werk in 1938 enige jaren voor zijn dood. In 1940 probeerde hij vanuit Portugal naar Engeland te reizen. Door een explosie in de machinekamer ontplofte het schip waarop hij voer. Hij verdronk. Zijn vrouw overleefde de schipbreuk. Van Marsman is het gedicht:

Titel: “De hand van de dichter”

‘Glazen grijpen en legen;
Veel jagen en reizen;
Vrouwen omhelzen en strelen;
Strijden op felle paarden
en blinkende wateren splijten;
spelen met licht en donker;
de dag en de nacht doorrijden
onder fluweel en schaduw en
flonkerende sterrebeelden.’

Vanuit de filmwereld zijn bekend James Dean, 1931-1955, die in de drie filmrollen die hij speelde de opstandige rebel was. Een rol die hem op het lijf geschreven was. Hij werd een boegbeeld voor een hele generatie opstandige jonge Amerikanen, die zich afzette tegen de zelfgenoegzame Amerikaanse maatschappij van de jaren vijftig. Een uitspraak van hem was dat men moest dromen alsof je voor altijd zou leven en moest leven alsof vandaag je laatste dag zou kunnen zijn. Hij stierf als snelheidsduivel vier en twintig jaar oud tijdens een ongeluk tijdens een wilde rit in zijn zilverkleurige Porsche.

Een andere filmartist is Robert Redford die in de film ‘Out of Africa’ de rol van eeuwige jongeling prachtig uitbeeldde.

Therapie
Als enige behandelingswijze wordt door Jung en Marie-Louise von Franz genoemd: Werken ! He has to learn to touch the earth. Psychotherapeutische ervaringen hebben aangetoond dat werken een positieve stimulus voor narijping kan opleveren. Deze boodschap is echter niet het bericht dat de cliënten graag horen. De associatie wordt opgeroepen dat het werken als een initiatierite werkt die de volwassenheid aangeeft. Een initiatie die zij eerder in hun leven hebben gemist.

Literatuur:
A.J. Crijnen. De Baader-Meinhofgroep. Utrecht. 1975.
Marie-Louise von Franz. Puer Aeternus. Los Angelos. 1981.
F.E. Frenkel.(redactie) Provo. Amsterdam. 1966.
C.G. Jung. De scheppende mens (Over Picasso). Rotterdam. 1972.
Alexander Mitscherlich. Auf dem Weg zur vaterlosen Gesellschaft , München. 1965.