- Jung’s psychologie - http://www.jungspsychologie.nl -
Primitieve geestesgesteldheid
Posted By admin On maart 30, 2008 @ 5:10 pm In Artikelen | Comments Disabled
Begrippen, termen en namen met (*) zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus’.
De beschrijving van de primitieve geestesgesteldheid is gekozen omdat het een universeel fenomeen is. Ook de ontwikkelde psyche zoals wij die in het westen kennen blijft deze geestesgesteldheid als basis behouden. Er zijn overeenkomsten tussen de primitieve geestesgesteldheid* en het collectief onbewuste*. Deze overeenkomsten doen vermoeden dat de verbinding van het collectief onbewuste met het bewustzijn tijdens de toestand van primitieve geestesgesteldheid breder en sterker is dan in een ontwikkelingsfase van het bewustzijn waarin het ego sterk domineert en verder is ontwikkeld. Het ego is bij de primitieve geestesgesteldheid nog niet volledig uit het Zelf vrijgemaakt. Er bestaat nog een korte ego-zelf-as*. Bij de primitieve geestesgesteldheid valt op het beperkte en vage tijdsbesef, de sterke voorkeur voor beeldspraak en symbolen en de sterk conservatieve aard van de betrokken culturele context. De invloed van de voorouders is sterk. Het verschijnsel vooruitgangsgeloof komt in de primitieve geestesgesteldheid niet voor. Het collectief onbewuste kent eveneens de dimensie tijd niet, dromen* spreken vrijwel altijd in beelden en de mythische* beelden van eeuwen her komen in hedendaagse dromen nog voor.
Bronnen
Als bronnen die voor de beschrijving van de primitieve geestesgesteldheid zijn aangewend betreffen de boeken die genoemd zijn op de literatuurlijst aangevuld met de eigen ervaringen opgedaan op Java gedurende 1954-1960. In deze periode werd een zes jaar durend modern geneeskundig onderzoek verricht over kindersterfte in de culturele context van Java. Twaalf jaar later werd in Indonesia, India, Nepal, Bangladesh, Tunesië en Kenya deelgenomen aan de uitvoering van public health projecten in de culturele context van de betreffende culturen gedurende 1972-1977.
Voor het verwerven van inzicht in de primitieve geestesgesteldheid heeft het ideaal-typisch concept van het Algemeen Menselijk Patroon (A.M.P.) van de historicus Jan Romein, 1893-1962, een sterke oriënterende functie. In deze ideaal-typische schets van het Algemeen Menselijk Patroon schetst Romein het cultuurpatroon van de niet-westerse culturen en van de middeleeuwse cultuur in West-Europa tot aan de Renaissance (13e eeuw). Romein noemt zes aspecten van onderscheid van het Algemeen Menselijk Patroon ten opzichte van het huidige moderne westerse cultuurpatroon. Deze aspecten van de primitieve geestesgesteldheid worden hieronder onder de punten 1 tot 6 besproken. Met de term ‘Westen’ wordt in deze tekst bedoeld de cultuur van Europa ten westen van de lijn Sint Petersburg-Venetië en de cultuur van Noord-Amerika.
Zes aspecten van de primitieve geestesgesteldheid
De eerste zes aspecten van de primitieve geestesgesteldheid zoals Romein die benoemd heeft:
1- De houding ten opzichte van de tijd.
Ter illustratie van de primitieve geestesgesteldheid is de bijbel in dit artikel gekozen als citatenbron omdat dit boek 26 eeuwen geleden is ontstaan in een niet-westerse cultuur. Dit boek is goed in het Nederlands vertaald en is in Nederland nog steeds een veel gelezen en bekend boek. In Mattheus 6:34 (Nieuwe Testament) lezen we: ‘Maakt U niet bezorgd tegen de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.’ Betrokken bij de dagelijkse stroom van zieke mensen naar de polikliniek in een niet-westerse cultuur en de frequentie van sterfgevallen raak je spoedig overtuigd van de juistheid van deze stelling.
Men leeft in de primitieve geestesgesteldheid in het hier en nu. Gisteren en morgen worden niet gemakkelijk aan de orde gesteld. Deze zijn van een lager belang. Gisteren is van ‘zo even geleden’ terug tot aan de dag van de schepping. Morgen is van straks tot aan de dag van het Laatste Oordeel. Actueel is alleen het heden.
Deze houding werkt storend ondermeer op het maken en nakomen van afspraken, planning (b.v. gezinsplanning, werkplanning), sparen en onderhoud plegen aan huis, voertuigen en electriciteitsnet. Periodiek onderhoud en ‘afschrijven’ is daarom geen gangbare term en daad. Men wacht tot er een duidelijke noodzaak voor reparatie is. Improviseren kenmerkt de levenswijze in de derde wereld. Tijdsafspraken worden beschreven met de uitdrukking ‘djam karet’ (elastisch / oprekbaar uur).
Toen in de twaalfde eeuw tijdens de Renaissance voor het eerst openbare klokken op torens verschenen bracht de klok de toen nieuwe boodschap: ‘Beid uw tijd, want tijd is geld’. Het leven begon zich iets te versnellen. In de Renaissance begon de handel en het ondernemen op te komen naast de landbouw. Zuinig met tijd werd toen een fundamenteel gegeven voor de westerse cultuur. In de niet-westerse wereld maakt men er alleen grappen mee. Een Javaanse kennis vertelde eens: ‘Dokter, als tijd echt geld zou zijn, dan zijn wij een rijk volk want wij hebben altijd tijd’. Het volk is in werkelijkheid zeer arm en gebruikt zijn tijd om te overleven in een armoedig bestaan van de hand in de tand en een van dag tot dag sappelen. Bij het opzetten van een fabriekje blijkt de opvatting van het arbeidstempo van de medewerkers en het houden aan het werkschema een punt van grote zorg voor het management.
2- De houding ten opzichte van de arbeid.
In Genesis 3:17 en 19 lezen we: ‘Het aardrijk is vervloekt en met smart zult gij daarvan eten al de dagen van uw leven’. ‘In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, want gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeren.’
De arbeid wordt beschouwd een onvermijdelijk kwaad te zijn. Er rust een vloek op arbeid en daarom doe je alleen het hoogst noodzakelijke voor het levensonderhoud. Als arbeid niet nodig is gaat men in de schaduw van de bomen zitten rusten en praten met dorpsgenoten die ook al klaar zijn. Daar welvaart van geplande produktiegroei afhangt zal welvaart in zo’n cultuur dan ook niet gemakkelijk wortel schieten, tenzij er door onderzoek van westerse mijnbouwkundigen wordt aangetoond dat er olie in de grond blijkt te zitten.
In het politieke en openbare leven blijkt er een schuwheid te bestaan ten opzichte van de werkelijkheid. Er wordt geaarzeld om over zaken die aan de orde zijn een besluit te nemen en om tot uitvoering van genomen besluiten over te gaan. Er lijkt een begaafdheid te bestaan om moeilijke problemen duurzaam te ontwijken en deze niet tot een oplossing te brengen. Het is een houding van Woe wei*, doen door niet-doen.
3- De houding ten opzichte van de autoriteit.
De autoriteit ligt altijd buiten het individu en wel bij de feodale machtsdragers. De leden van niet-westerse culturen zijn als regel in heel bescheiden mate geïndividualiseerd. De houding van de dorps- en stadsbevolking is die van een vrijwel absolute gehoorzaamheid aan de autoriteit van de goden, van het Heilige Boek (Veda’s, Bijbel, Koran) en van de feodale vorsten. In feodale structuren is naast macht ook trouw een belangrijk aspect. Van de vorst of president wordt door de onderdanen een beveiliging gevraagd tegen de dagelijkse risico’s van het leven en een royale behartiging van hun belangen (bapakisme, bapak is vader).
De structuur van zo’n sterk conservatieve samenleving bestaat uit een dunne adellijke of militaire bovenlaag waar de macht en rijkdom is gezeteld en een grote volkse laag van zwoegende landbouwers, kleine handelaren, fietstaxivervoerders, ambachtslieden en andere werkers. Het ontplooien van een persoonlijk individueel initiatief is schaars. Zij wonen veelal in een drie-generatieverband met grootvader, vader en zoon in één huis. Het zogenoemde ‘Grosze Haus’ of ‘la grande famille’ (het grote gezin).
De sacrale of gewijde levenssfeer van aarde en kosmos is in niet-westerse culturen veel meer aanwezig dan in het westen. In het westen heeft de sacrale sfeer geleidelijk gebied en invloed verloren aan de profane sfeer. Waarheid en recht zijn in beheer bij de heersers die deze zaken als machtsmiddelen aanwenden. Het woord van de vorst is waarheid en recht. Macht wordt gezien als een bezit voor het leven. Een president is daarom moeilijk afzetbaar. Ziekte en overlijden zijn de meest geldige redenen tot aftreden van presidenten. De feodale heerskunst heeft het in Azië tot een perfectie gebracht die Europa nooit gekend heeft. Bij een bezoek aan het paleis van de Sultan te Yogyakarta wordt u bij navraag de plaats getoond waar voorheen de beul vóór de onthoofding de tegensprekers van de autoriteit of irritante vernieuwers de gelegenheid gaf voor een zeer kort laatste woord.
Feodalisme en democratie zijn de twee enige effectieve vormen van machtshantering die we in de wereld kennen voor het scheppen van orde.
4- De houding tot het leven.
De vele en grote onzekerheden in het leven waarin een hoge sterftekans heerst, brengt met zich mee dat de waarde van het leven niet erg hoog wordt gesteld. Het leven is kwetsbaar, broos, onberekenbaar, vol met bedreigingen en geheime bedoelingen. Onder de doodsoorzaken komen veel endemische infectieziekten voor waaronder tuberculose, malaria, dysenterie, diphterie, febris typhoidea (typhus), mazelen en epidemisch optredende ziekten zoals cholera, pest en aids. Het sterfteniveau ligt hoog met omstreeks 45 per 1.000 personen per jaar.
De goden, waarvan de bedoelingen ondoorgrondelijk, niet voorspelbaar of navolgbaar zijn en die vaak anders liggen dan die van de mensen, bepalen het verloop van het leven van de mens. Nasib Tuan, het lot ligt in de handen van de goden. Een negro-spiritual stelt : ‘They keep the whole world in their hands’. Als het leven van voornamelijk sappelen voor het dagelijks voedsel van weinig waarde wordt geacht, dan heeft de dood geen sterke prikkel. Er is dan niet veel te verliezen. Deze omstandigheid roept een elders, transcendentaal gelegen mythische wereld op waar welvaart en recht heerst en dood en bederf ontbreken. Rijkdom en gezondheid is daar voor allen beschikbaar.
5- De houding ten opzichte van de natuur
Men voelt zich met zijn familie en stam een deel van de hem omgevende natuur waarin ook de goden en de geesten zijn opgenomen. Men plaatst zich niet tegenover de wereld om de natuur te gaan analyseren en te bedwingen ten einde deze naar eigen wensen aan te sturen zoals de westerse mens dat nastreeft. Men voelt zich aan de natuur onderworpen. Men weet zich als mens opgenomen in het kosmische leven. De omgevende wereld wordt in de naïeve ervaring beleefd als een eenheid waartoe ook hij behoort. Men gebruikt de natuur voorzover deze nodig is voor zijn levensonderhoud. Achter de dorpshut ligt het oerwoud, de natuur, met zijn geheimzinnige unheimische geluiden en men heeft daar eerbied voor.
6- Het weinig gerichte denken
Het denkproces verloopt tijdens de primitieve geestesgesteldheid bij voorkeur in beelden en symbolen. Veel minder in abstracte begrippen die producten zijn van het gerichte uiteenstellende (analyserende) denken dat vooral door de Griekse filosofen is ontwikkeld en waarmee de westerse mens zo vertrouwd is geraakt. Het primitieve denken is minder gericht van aard. De afstand tussen subject en object , waarnemer en voorwerp van waarneming, wordt als kleiner ervaren dan in het westerse type waarneming. Er is vaak nog een ‘participation mystique’*, een verborgen vereenzelviging met de buitenwereld. Bij het analytische denken sluit de ene voorstelling een tegengestelde voorstelling uit. Inconsistentie en contradictie worden in het westerse rationele denken als onjuistheden afgewezen. In de primitieve geestesgesteldheid zijn verschillende gezichtspunten, ongerijmdheden binnen één visie syncretistisch* samengebracht. Logische consistentie in het denken wordt niet noodzakelijk geacht. De magische voorstellingswereld blijkt een sterkere kracht te bezitten dan de rationeel analytische. Als voorbeeld wordt de intentionaliteit genoemd.
Bij de intentionaliteit van (ziekte) processen blijkt magisch denken duidelijk te domineren. Het begrip kans is onbekend in de primitieve wereld. Men schrijft in magische zin aan dingen een geheimzinnig karakter toe. Achter de dingen rondom de mens verbergen zich natuurgeesten met goede en kwade intenties waarover men niet de baas is. Natuurlijke oorzaken van ziekten en dood kent men niet of nauwelijks. Ziekten worden beschouwd te worden veroorzaakt door kwade geesten naar aanleiding van een overtreding van een sacraal voorschrift of door de overschrijding van een bestaand taboe*. Deze magisch causale samenhang tussen ziekte en overschrijding kan ook betrekking hebben op een kwaadwillende invloed van een afgunstig geworden medestamlid of dorpsgenoot, van kwaadwillende voorouders of natuurgeesten, het boze oog, of zwarte magie. Er zijn vele kwaadwillende geesten op Java evenals elders, onder meer de koentianaks (kinderdieven), de goendrowo’s en de wéwé’s. In India zijn er de rakshasa’s, de bloeddrinkende asrapa’s, de pishaca’s en de dzjins.
Een sprekend voorbeeld van intentionaliteit kunt u vinden in het bijbelboek ‘Job’ in het Oude Testament. Jobs drie vrienden Elifaz, Bildad en Zofar spreken dagenlang persisterend met Job over de verklaring van zijn verdriet en tegenslagen. Steeds maar weer zoeken zij schuld en tekortkomingen van Job om daarmee zijn tegenslagen in het leven te ‘verklaren’ en deze op Jobs kosten te rechtvaardigen.
De zichtbare, empirische wereld en de onzichtbare, niet-empirische wereld vormen in de primitieve geestestoestand een hecht samenhangend geheel. Het ingrijpen van geesten vanuit de niet-empirische wereld in de zichtbare wereld is daarom geen reden tot verwondering maar een vertrouwde gebeurtenis. Het collectief onbewuste heeft men daar collectief naar buiten geprojec-teerd. De complexen en archetypische krachten zijn zo in de buitenwereld terecht gekomen en er wordt mee geleefd. Men kan een persoon horen zeggen:’Ik zal uw woorden meenemen op mijn reis naar het woud. Daar zal ik deze met mijn geesten bespreken’. Aan dromen wordt een grote betekenis toegekend. Met name aan dromen van vooraanstaande gezagsdragers die hoog op de sociale ladder verblijven. Er wordt meer belang gehecht aan hun dromen omdat zij over autoriteit bezitten en dus over de waarheid beschikken.
Aanvullende aspecten van de primitieve geestesgesteldheid
In aanvulling op Romein zijn de volgende aspecten van belang:
7. over de wendbaarheid van wetenschappelijke kennis naar handelen,
8. de belangstelling voor mythische voorstellingen,
9. de sterke neiging tot projectie,
10. verbaal onderling verkeer, het gesproken woord;
11. de onderlinge omgang,
12. gastvrijheid,
13. conservatisme,
14. schaamtecultuur.
7. Over de wendbaarheid van wetenschappelijke kennis naar handelen
Bij Aziatische en Afrikaanse personen met een westerse academische opleiding, die genoten is in een westers land blijkt het denken in abstracte termen lange tijd gewenningsverschijnselen te vertonen. De verworven kennis is niet altijd stevig geïntegreerd met de bereidheid tot handelen op eigen verantwoording. De westerse wetenschappelijke kennis blijft lange tijd nog een cultureel ‘corpus alienum’, een vreemd lichaam dat in de eigen culturele setting moeizaam passend is te maken en in de eigen psyche een moeizame weg aan het zoeken is. Wetenschappelijke kennis is een product van de westerse cultuur dat omstreeks 600 v. Chr bij Griekse filosofen is geboren en in de eeuwen na de Renaissance in West-Europa (vanaf de 13e eeuw) verder is gegroeid. Dat bepaalt het soortvreemde karakter ervan in de niet-westerse wereld.
De totale beschikbare kennis bij in het westen opgeleide Aziatische en Afrikaanse personen is daardoor bijvoorbeeld op het moment van dreigend levensgevaar bij patienten niet altijd vlot beschikbaar om als uitvalsbasis tot praktisch handelen te komen en zo tot actie over te gaan. Deze remmende kracht wordt aangeduid met de term: onvoldoende wendbaarheid. In de geneeskundige praktijk geeft dit problemen in de samenwerking tussen westerse artsen met collega’s afkomstig uit de derde wereld. Deze wereld, waarin voor vele patienten wellicht geen morgen meer is, vergt als regel een snelle besluitvaardigheid en een resoluut doelmatig handelen.
8- Belangstelling voor mythische voorstellingen
In de primitieve geestesgesteldheid wordt veel van de inhoud van het onbewuste naar de buitenwereld geprojecteerd. Er is een moeiteloos verkeer tussen de inhouden van de buitenwereld met die in de binnenwereld. Het ‘binnen’ is als het ware in het ‘buiten’ opgenomen en is daarmee hecht verbonden. De mens in primitieve geestegesteldheid heeft zowel bewust als onbewust deel aan bovenpersoonlijke machten. Daar hij niet heersend in de wereld staat weet hij zich klein en bedreigd zowel vanuit de binnenwereld, de machten van de ziel (the perils of the soul*), als vanuit de buitenwereld, de machten van de natuur. Het is de mythe die een relatie weergeeft tussen de werkelijkheid buiten de mens en de werkelijkheid van de ziel.
Het mythische denken houdt de in een mythische context geboden voorstellingen van personen en gebeurtenissen voor bijna werkelijk. Het voorwerp van kennis wordt nog niet kritisch en afstandelijk beschouwd en geobjectiveerd. De mythische denker voelt zich persoonlijk betrokken bij datgene wat hij in de voorstellingen ontmoet. De grote Indiase mythische epi Ramáyana en Mahábharata, die ook op Java veel worden verteld, in strips gedrukt en nachten lang op het wajangscherm vertoond, hebben een voorbeeldfunctie voor veel toeschouwers. Uit de spelers kiezen velen een voorbeeld dat hen inspireert bij hun geestelijke ontwikkeling en hun sociaal gedrag.
9- De sterke neiging tot projectie
Er leeft bij deze mensen in deze culturen een sterke neiging tot sociale en religieuze projectie. Tekortkomingen tijdens het werk zullen altijd worden toegeschreven aan ‘omstandigheden’. In religieuze context is er sprake van projectie van veel onbewuste krachten naar de buitenwereld waar honderden natuurgeesten en geesten van overledenen verblijven die ingrijpen in hun leven.
10- Verbaal onderling verkeer, het gesproken woord.
Het onderlinge sociale verkeer gebeurt voornamelijk via het gesproken woord. De term primitief in de term primitieve volken betekent in de culturele anthropologie schriftloze volkeren. Als er een schrift aanwezig is, is dit in gebruik bij de dunne bovenlaag van de adellijke bevolking. Daar is de kunst van lezen en schrijven aanwezig.
Door de hoge graad van analfabetisme bij het merendeel van de bevolking is het verbale verkeer de aangewezen oplossing voor communicatie. Men heeft in geringe mate geleerd te lezen en brieven, rapporten en boeken als de eerst aangewezen bron van informatie te beschouwen.
Met verbale communicatie gaat een goede geheugentraining gepaard. Dat brieven onbeantwoord blijven zal U dan niet verbazen. Een brief heeft de functie van een geheugensteun. Men brengt, zo bereikbaar, de brief zelf naar de geadresseerde en bespreekt met hem de zaak mondeling. De brief laat men achter als bewijs van respect en voor het archief.
Een nadeel van het analfabetisme is het schaars voorkomen van schriftelijke eigendomsbewijzen die geldig zijn tot buiten de dorpssfeer. Binnen het dorp weet ieder dorpslid wel welk stuk grond of huis bij welke eigenaar hoort. Maar zodra men op zijn huis of grond geld wil lenen om te gaan investeren voor een bedrijf blijkt het gemis van een kadastersysteem en hypotheekregistratie een ernstig gemis op te leveren bij economische ontwikkeling.
11- Onderlinge omgang
De onderlinge menselijke relatie is vooral van persoonlijke aard. De in de westerse cultuur veel voorkomende beperkte functionele relaties worden in de niet-westerse culturen gewaardeerd als te koud en te zakelijk.
De hiërarchie van de samenleving kan in de taal tot uitdrukking komen. Op Java kent b.v. het Javaans drie taallagen. Het laag-Javaans (ngoko) de je- en jij- taal, het hoog-Javaans (kromo) de beleefde en respect uitdrukkende u-taal en een verhoogde variant van de hoge taallaag (kromo inggil). Deze laatste laag is bestemd om er mee tot de sultan en tot de goden te spreken.
Deze verschijnselen wijzen op een gelaagde bevolkingsstructuur, waarbij de omgang tussen de adellijke bovenlaag en de werkende lagen een bescheiden rol speelt.
12- Gastvrijheid
De niet-westerse culturen kenden lange tijd geen hotels. Tijdens de koloniale periode kwamen logementen en gastenhuizen in gebruik. Er was toen al een ragfijne etikette op het gebied van gastvrijheid ontstaan. De gast krijgt als prijs voor zijn verblijf en onderhoud hiervoor latere verplichtingen opgelegd. De Latijnse regel van ‘Do ut des’ is werkzaam, d.w.z.: Ik geef opdat gij zult geven. Ik geef om eens terug te ontvangen. De sociale verplichtingen perken de individuele vrijheden in.
13- Conservativiteit
Het verleden is normatief. Het leven is navolgen. De navolger herkent de weg van de grote en scheppende voorgangers aan de voetsporen die hem de weg wijzen. In de archaïsche mentaliteit is de wijsheid der ouderen de continuïteit van de kennis en overtuigingen ten opzichte van die van het voorgeslacht. De wijsheid is een erfbezit.
Het behouden van de cultuur in de bestaande vorm wordt van veel belang geacht met name door de machtsdragers om de actuele machtsposities te kunnen behouden. Als regel is daar inkomen en bezit aan verbonden. Veranderingen toelaten betekent het inbrengen van niet voorspelbare risico’s.
Het invoeren van een nieuwe graansoort heeft dat duidelijk aangetoond. De traditionele rijstbouw die op de ervaring van eeuwen rust heeft ook een immuniteit voor veel plantenvirussen die in de streek voorkomen tot stand laten komen. Een veredelde rijstvariant die het in een proefgebied goed doet belooft veel. Het nemen van het risico van misoogst door plantenziekten bij zo’n veredelde rijstvariant is niet weggelegd voor arme keuterboertjes met weinig land en met nu al onvoldoende rijstoogst voor het voeden van hun gezinnen. Men ziet als regel niet veel in veranderingen en vernieuwingen in de werk- en leefsfeer. Nieuwe zaken, ideeën en uitvindingen worden met veel argwaan bekeken.
Een verandering die niet als zodanig wordt ervaren is de geleidelijke groei van de bevolking op een eiland zonder emigratiegelegenheid. Deze groei vindt met kleine stapjes van kwantitatieve aard plaats. De gevolgen zijn een verhoogde kindersterfte, die pas als statistisch feit na zorgvuldige registratie is vast te stellen maar in de beleving van de bevolking niet spoedig wordt ervaren.
Opgedane ervaringen worden niet kritisch onderzocht op eventueel te trekken lessen. Lévy–Bruhl noemt dit verschijnsel: ‘imperméabilité à l’experience’, ondoordringbaarheid voor nieuw opgedane ervaringen. Goed is wat de vaderen deden en zeiden.
Ook worden de gangbare voorstellingen en gebruiken wel gerechtvaardigd door deze te beschouwen als door de goden aangereikt. De rechtvaardiging van de kastenindeling in India wordt afgeleid uit de religieuze heilige Vedische geschriften en is daardoor zeer bestendig. De wijsheid van de traditie legt veel gewicht in de schaal. Alleen een enkele innovator heeft belangstelling. Maar als er straks een ziektegeval plaats vindt, kan de priester de storende innovator wel eens als de verwekker ervan aanwijzen en dan loopt het mogelijk slecht met deze innovator af.
14- Schaamtecultuur
In de culturen waar de primitieve geestestoestand een grote invloed heeft op de lopende gang van zaken, op het denken en handelen van de bevolking is er veelal sprake van een schaamtecultuur. Ieder lid van de gemeenschap wordt in zijn sociaal gedrag sterk beinvloed door de uit de traditie stammende normen, geïncarneerd in de oudere mannen van het dorp. Van ieder lid wordt aanpassing verwacht en geëist aan het bestaande levenspatroon. Men spreekt van het sociale karakter van de stam dat door het heersende opvoedingspatroon aan elk lid van de familie en stam tijdens de opvoeding wordt opgedrongen om dit tot verinnerlijking te doen brengen. De bestaande sociale rollen laten weinig variatie toe voor de vervullers ervan. De intensieve sociale controle op het gedrag van de leden van de gemeenschap vindt plaats door publieke bewondering of kritiek. De vrees voor openbare terechtwijzingen roepen, als het plaats vindt, hevige schaamtegevoelens op, het zgn. ‘gezichtsverlies’. Men schaamt zich dan ten aanzien van het collectief waar men deel van uit maakt.
Samenvattend cultuurpatroon
De waardenordening in culturen levend in het kader van het Algemeen Menselijk Patroon kan men zich als volgt voorstellen. De hoogste waarde is de eer, daarna volgen de andere waarden. In een cultuur waar weinig geld en aardse goederen aanwezig zijn is er altijd eer te verdelen. Waardeordening:
Literatuur
Begrippen, termen en namen met * zijn toegelicht in ‘Van Anima tot Zeus’.
Article printed from Jung’s psychologie: http://www.jungspsychologie.nl
URL to article: http://www.jungspsychologie.nl/artikelen-over-cg-jung/over-de-primitieve-geestesgesteldheid/
Click here to print.
Copyright © 2008 Prof. Dr. M. Timmer. Alle rechten voorbehouden.