- Jung’s psychologie - http://www.jungspsychologie.nl -

Religieus besef

Posted By admin On maart 30, 2008 @ 5:11 pm In Artikelen | Comments Disabled

In de analytische psychologie van Jung is de aandacht die Jung aan het verschijnsel religie* besteedt opvallend groot. (Een asterix * bij een woord geplaatst wil zeggen dat dit begrip nader wordt omschreven in het boek: ‘Van Anima tot Zeus’). In het voorwoord van zijn boek ‘Antwoord aan Job’ (1952) schrijft hij: “De beweringen in de Bijbel zijn ook uitingen van de ziel”. In zijn boek ‘Herinneringen, Dromen, Gedachten’ (1962) schrijft hij: “Ik ervaar dat al mijn gedachten cirkelen rondom God zoals de planeten om de zon en deze gedachten worden onweerstaanbaar door Hem aangetrokken”. Bij personen en hulpvragende patiënten levend in de tweede levenshelft, dus na het 35ste jaar komen tijdens de therapie naar Jungs vermelding vaak vragen van bezinnende religieuze aard aan de orde. Tijdens de eerste levenshelft is de ego-ontwikkeling aan zet. Opleiding, beroepskeuze, inkomen, huwelijk, woning, gezinsvorming en vorming van een sociaal netwerk zijn dan in volle opbouw. Tijdens de tweede levenshelft komt een andere oriëntatie in het leven aan de orde. Het individuatieproces wordt vanuit het archetype Zelf voortgezet. Er ontstaat dan behoefte om het leven in een groter zingevend en stabiel verband te plaatsen. Men beschouwt nader zijn eigen volk, geschiedenis, cultuur, afkomst en zijn religieuze oriëntering. Wordt deze religieuze ervaring zelf opgebouwd of wordt deze slechts verkregen door navolging, een van horen-zeggen-traditie-religie. Staat het kerkelijk instituut en de Heilige Schrift niet tussen mij en de activiteiten van het Zelf in? Luister ik wel naar de fluisteringen uit de eigen ziel? Deze vragen komen in therapeutische zittingen aan de orde.

Het voorkomen van religies

De primitieve mens leeft zowel bewust als onbewust sterk onder invloed van boven-persoonlijke machten. De primitieve mens staat niet heersend in de wereld – tenzij magisch – maar weet zich een klein en bedreigd deel van zowel de binnen – als van de buitenwereld. Hij moet zich handhaven tegen de machten van de natuur en van de ziel. De machten van de natuur kunnen zijn droogte door uitblijvende regen, watersnood, plantenziekten, sprinkhanenplaag, epidemieën en stormen. Dit besef doet hem pogen een relatie tot stand te brengen met de machten die boven hem zijn gesteld. In een Aziatische mythe wordt beschreven hoe de mens naar de hemel op kon klimmen langs de kosmische boom, de wereldas, axis mundi, en daar contact kon maken met de heilige, numineuze orde van de goden.

Van de vele duizenden culturen, de huidige en de vroegere, is bekend dat zij alle een geloof kenden in krachten van niet-empirische aard. Zij ontwikkelde mythen betreffende deze krachten en voerden religieuze rituelen uit. Dit geldt evenzeer voor opvattingen aangaande sociale hiërarchie, initiatie, sexueel verkeer, huwelijk, voeding, arbeid, dood, lijkverzorging, eigendom en conflictregeling. De heersende religieuze opvattingen boden aan de samenlevingen een samenhangend geheel van gedragsnormen en een serie van absolute en afgeleide waarden. De religieuze voorstellingswereld die alle leden van de stam, clan of volk als juist en werkelijk worden aanvaard bevordert de stabiliteit van de samenleving.

Iedere religie komt voort uit het Zelf

In den beginne is het Zelf en uit het Zelf groeit het ego. De scheppingsmythe tracht een antwoord te geven op de vraag waar de mens vandaan komt. Psychologisch beschouwd kan men stellen dat een archetypische kracht afkomstig uit het archetype Zelf bij vooraanstaande stamleden de religieuze voorstellingswereld van een volk tot stand brengt. Deze archetypische kracht wordt aangeduid met de naam religeus archetype, ook wel het archetype van het Heilige. Wij leven in een cultuur waarin ‘God is dood’ is uitgesproken. Het religieus archetype is bij velen van de huidige generatie niet geactualiseerd. Het sluimert echter wel in de diepere lagen van de autonome psyche bij elke individu. Politieke programma’s worden wel tijdelijk religieus ingekleurd.

Heeft religie een instinctieve wortel ?

Bij de beschrijving van het verschijnsel instinct* (Lat. aansporing) stelt Jung dat de instinctkiem die gelegen is op de grens van het organische en diepste psychische deel, zich ontwikkelt in een viertal richtingen. Een uitgerijpt instinct kent krachten of dynamische factoren van motiverende aard die buiten het bewustzijn liggen en die hun eigen doeleinden nastreven. Deze vier krachten ontlenen hun energie aan het collectieve onbewuste. Het betreffen de volgende krachten, namelijk:

  1. Drijfveer tot zelfbehoud. Het zoeken naar bestaansmiddelen. De activiteit van voeding zoeken neemt in het leven van het dier een groot deel van zijn wakende leven in beslag. In de menselijke samenleving is het veelal het uitoefenen van arbeid die de mens voedsel, kleding en onderdak kan verschaffen. Verder betreft deze neiging: zelfverdediging, beveiliging zoeken en op de juiste tijd vluchten;
  2. Het verwerven van macht. De sociale ordening van een samenlevende groep van zoogdieren zowel als van mensen kent altijd een hiërarchische ordening, d.w.z. de macht is in elke groep ongelijk verdeeld. Ieder individu doet wijs om voldoende macht te verzamelen opdat hij zich in de groep aanvaardbaar kan maken, zich kan handhaven en zijn bereikte positie weet te verdedigen. De verworven macht kan aangewend worden ter verwerving van aanzien, inkomen, behoud van de status quo en comfort;
  3. De geslachtsdrang, die na lustbeleving met een partner leidt tot nieuwe geboorten. De aanwas van nieuwe leden van de gemeenschap doet de groep overleven. Bij zeer veel volken en met name in de zgn. ontwikkelingslanden bestaat de bevolking voor 40% uit personen van 0-14 jaar. De hoge vruchtbaarheid van 40 nieuwgeborenen per 1000 personen per jaar woog vroeger als regel op tegen de hoge sterfte door epidemieën, natuurrampen (waaronder hongersnoden door misoogsten tengevolge van uitblijvende regenperioden) en door locale oorlogen met plunderingen en moorden;
  4. Het cultureel-religieuze instinct leidt tot bezinning over de eigen plaats in de samenleving, haar geschiedenis en over de zin en betekenis van het eigen leven. De mens heeft in zijn ontoereikendheid een sterke behoefte aan een helder gestabiliseerd wereldbeeld. Wanneer de prikkels van het religieuze instinct in het collectief onbewuste actief worden, worden deze archetypische krachten geactiveerd. Wanneer deze krachten later in het bewust komen reiken deze een aanknopingspunt voor religieuze bezinning aan.

In deze religieuze drijfveer past het religieus besef en het betrokken worden in de culturele en religieuze activiteiten van de gemeenschap waarin men leeft. Er woont, zagen wij, in de mens een verlangen naar het betrokken worden op de niet-empirische wereld, die zich weliswaar aan waarneming en onderzoek onttrekt, maar die door de behoefte wel wordt opgeroepen en waaraan men een hoge waarde toekent. Men verwacht er veiligheid, bescherming en verlossing. Deze religieuze drijfveer is een psychisch feit en behoort tot de subjectieve niet-empirische werkelijkheid.

Religie

De beschrijving van het verschijnsel religie* heeft in de loop van de tijd van vele auteurs uiteenlopende accenten en ruim 50 definities ontvangen. De Britse cultureel anthropoloog en zorgvuldig onderzoeker Edward Burnett Tylor, 1832-1917, beschreef religie als: het geloof in geestelijke wezens. Echter in sommige religies (Boeddhisme) komt dit verschijnsel niet voor en deze omschrijving kan daarom niet als kenmerkend voor alle religies gelden.

De Duitse cultureel anthropoloog N. Soederblom stelde als centraal kenmerk: de bevruchting van de zingeving van het leven door het Heilige. Het idee van het heilige zou het meest essentiële kenmerk van religie zijn. Deze opvatting vinden wij terug bij Jung. Hij schreef (CW XI pg 8) religie is de bijzondere instelling van het bewustzijn nadat dit veranderd is door een ervaring van het numineuze, het heilige. De Duitse filosoof en protestantse theoloog Prof. F. D. E. Schleiermacher, 1768-1834, de ‘kerkvader van de negentiende eeuw’, stelde in zijn ‘Reden über die Religion’, 1799, dat ‘betekenisgeving aan en affiniteit voor het oneindige en de eenwording met het eeuwige’, het kenmerk van ware religie is.

Deze definities bleken naar het oordeel van vele geleerden in de vergelijkende godsdienstwetenschappen te arm te zijn om de verwarrende veelheid van religieuze verschijnselen te omschrijven. De theoloog, godsdienstwetenschapper en filoloog Prof. Dr H. Kraemer, 1888-1965, schreef dat in alle religies de mens altijd en overal heeft teruggegrepen naar bepaalde gedachten en vermoedens, die telkens weer bovenkomen als zij tijdelijk zijn onderdrukt. Hij noemde dit: ‘universal religious consciousness in man’, een universeel religieus besef. Dit besef zou naar zijn overtuiging de achterliggende kracht zijn in al de verschillende religies.

De theoloog, wijsgeer en psycholoog J. H. Bavinck, 1895-1964, werkte dit idee uit in zijn boek ‘Religieus besef en christelijk geloof’, 1949. Dit religieus besef* kan worden beschouwd als de psychische onderbouw die in staat is als fundament te dienen voor meerdere uiteenlopende bovenbouwen, t.w. de grote religies, zoals Hindoeïsme, Boeddhisme, Judaïsme, Christendom, Islam, stamreligies en allerlei moderne religieuze ‘ismen’. Dit besef kan bij velen lange tijd nablijven na een proces van secularisering*, (het verliezen van de band met een kerk of andere institutionele religieuze organisatie). Het religieus besef is dan als een late schemering na zonsondergang. Het besef blijft nog lang hangen en het behoudt zijn kracht nog enige generaties lang.

De religies kunnen worden ingedeeld in twee categoriën. De eerste categorie omvat religies die streven naar een passende bewustzijnstoestand voor de religieuze beleving. ‘The state of mind’ is wezenlijk. Dit betreft het Hindoeisme* en het Boeddhisme*. De tweede categorie leidt naar een manier van leven en is royaal in het voorschrijven van ge- en verboden voor gedragingen en handelingen.‘ The way of life’ is essentieel. Tot deze categorie behoren het Judaïsme*, het Christendom* en de Islam*.

De inhoud van het Religieus besef

De volgende vijf elementen vormen de essentie van het religieus besef, namelijk:

  1. De totaliteitsbeleving
  2. Het normbesef
  3. De betrokkenheid op een Hogere Macht
  4. De verlossingsbehoefte
  5. De levensleiding

1. De Totaliteitsbeleving

Het individuele bestaan wordt ervaren in een allesomvattende samenhang. Deze ervaring laat zich verduidelijken door het volgende verslag ontleend aan J. H. Bavinck:

“Op de reis van Singapore naar China per schip reisde eens een Nederlandse ondernemer. Op een avond stond hij op het dek van het schip en keek naar beneden naar het tussendek, waarop vele arme Chinese passagiers door elkander lagen te slapen. De zee was rustig, de avond daalde snel over het onafzienbare, wijde water. ‘Op dat moment’ zo vertelde de ondernemer,’kreeg ik op eenmaal de wonderlijke sensatie alsof ik mijzelf kwijt raakte. Ik voelde hoe wij daar allen als kleine mensjes samengepakt waren in dat schip, dat daar eenzaam zijn weg ging door de langzaam donker wordende avond. Sterren begonnen boven ons te fonkelen, je hoorde het stuk slaan van de golven tegen de boeg van het schip. Ineens werd alles volkomen onwerkelijk voor me. Ik bedacht dat al vele eeuwen lang mensen op schepen die zee doorkruist hadden, hoe die golven er ook al eeuwen waren evenals die sterren en de stilte van de avond, en hoe in dat vreemde verband van dingen het kleine menselijk leven zich afspeelde. Ik hield even op ‘ik’ te zijn, een ik dat de wereld aankijkt. Ik wist me opgenomen in het grote geheel, waarin wij allen, die Chinese arbeiders, die daar beneden lagen en ik die daar eenzaam op het dek stond te turen, niets anders waren dan kleine atoompjes, dan ondeelbaar kleine gestalten, die maar heel kort een schijnbaar zelfstandig bestaan genoten, en die allen weer zouden wegzinken in dat onafzienbare geheel van het grote wereld-zijn. Het was me alsof ik nu eerst de wereld zag, zoals ik haar had moeten zien, alsof ik bevrijd was van de ik-houding die al het andere tot mijn object maakt. Ik zag mijn plaats midden in de oneindigheid van het heelal. Ik was nu niet meer dan een golfje in de wijde zee van de totaliteit. Ik voelde alleen nog de majesteitelijke stilte van dat grote verband, waarin we allen begrepen waren.Vanuit die sensatie leek me mijn gewone leven op eenmaal volstrekt gering en onwerkelijk. Waarom maakte ik me druk om mijn ‘ik’, om geld en eer en macht en wat al niet meer? Er was maar één ding waarachtig, werkelijk, en dat was die heelheid, die me omsloot in een innige omhelzing. Het was me alsof ik nu eerst door de wereld en het leven heenkeek als door een kristal, en alsof ik aan alle kanten licht zag. Het scherm van mijn ‘ik’-gevoel, dat altijd tussen mij en het Al ontstond, scheen op eenmaal weggenomen. Ik beleefde tegelijk een onzegbare vreugde.’

De ondernemer was een korte tijd ontsnapt aan de gespannenheid van zijn ‘ik’-gevoel en voelde een kort moment in zich de polsslag van de kosmos kloppen. De grote kosmische samenhang werd door hem ervaren als goddelijk van aard en oorsprong.

In het Hindoeïsme wordt gestreefd naar de ‘Auflösung des Individuellen’, het oplossen van het individuële. Het ‘ik’-gevoel, de ahamkara, is de sluier die onze ogen bedekt en ons hindert bewust te worden dat wij niet meer zijn dan een vonkje in het eeuwige vuur van brahman*, dat is het universum, een golfje in de eeuwige onmetelijkheid ervan. Op Java wordt dit besef zo omschreven dat de hoogste wijsheid daarin bestaat, dat men zich moet voelen als ‘drijfhout op de deining van de oceaan’. Deze totaliteitsbeleving betekent dat het gordijn van het ego-bewustzijn een ogenblik opzij geschoven wordt en de mens gaat beseffen dat hij niets iets anders is dan een deel van de natuur. Het archetype Zelf beheerst een korte tijd het bewustzijn. In het Hindoeïsme is de totaliteitsbeleving een van de meest beheersende motieven. Ook op Java, China en Japan leeft het ‘kosmisch gemeenschapsgevoel’ waarbij wordt ervaren dat alles ter wereld, ook de mens en het menselijk leven, ten nauwste in verband staat en samenhangt met al de omringende levende en niet-levende tienduizend dingen en met de gehele kosmos. De kleine mens wordt even in de grote kosmos opgenomen. De grenzen tussen goden, mensen, dieren en planten en het overige zijnde worden vloeiend. De mens is een stuk belichaamde natuurkracht. Het wezenlijke van de religie wordt gezocht in de wonderlijke, mystieke ervaring van het overweldigd worden en één-worden met het Al. Een besef van onbegrijpelijke nietigheid en weergaloze grootheid. Deze ervaring past in het verschijnsel van de ‘participation mystique’ * waarin de afstand tussen object en subject, onderzoeksvoorwerp en onderzoeker, heel klein is of zelfs wordt opgeheven. In primitieve (schriftloze) gemeenschappen ligt het accent zeer sterk op het lid-zijn van de stam. Het individuatieproces wordt belemmerd door zeer sterke tegenkrachten in de collectiviteit. De gemeenschap is het allesbeheersende sociale verband. In zulke gemeenschappen kan men eerder deze mystieke totaliteitservaring verwachten dan in de westerse cultuur. Totaliteitservaringen zijn ook beschreven tijdens het horen van muziek (Wagner, Bach). In de intuïtieve ervaring van de totaliteit komt het archetype Zelf in de nabijheid van het Ego.

2. Het normbesef

Een tweede kenmerk van het religieus besef is het beleven van een zedelijke norm. Er treedt een duidelijke realisering op dat er een grenslijn ligt tussen handelingen die mogen en handelingen die niet mogen. Er is een norm die in de mens bestaat en die hij altijd in zich draagt. De grenslijn is getrokken door machten die boven hem zijn gesteld. Dit roept de vraag op of de wereldorde met de goddelijke macht samenvalt. Bij de meeste ‘natuurvolken’ leeft het normbesef in de vorm van een geloof, dat goddelijke of halfgoddelijke voorouders verordeningen en wetten hebben ingesteld en dat het zich houden aan die voorschriften noodzakelijk is voor het heil van de (stam)ge-meenschap. In Indonesië heten deze voorschriften ‘adat’-(gebruik) en deze worden beschouwd als goddelijk-kosmische ordeningsregels, die harmonie scheppend van aard zijn, opdat alle sociale processen ordelijk en regelmatig verlopen en zo de overleving van de stam dienen.
Een zedelijke wereldordening treft men bij alle volken aan. In India leefde de gedachte van de rta, de goddelijke en kosmische orde die met dwingend gezag het heelal bestuurt en alles op de wereld op zijn plaats, in hun samenhang en op de juiste tijd houdt. De zedelijke wetten zijn door de goden aan de mensen meegedeeld (zie Manu en Mozes in het Sinaï verhaal*). De wetten gelden zowel voor de natuur om de mens heen, voor de menselijke samenleving als voor de menselijke binnenwereld met haar vele tegenstrijdige krachten. De mens is gehouden zich aan zijn plaats in de goddelijke wereldorde te houden en deze vast te grijpen als een houvast voor zijn leven en vanaf die plaats zijn eigen levensplicht (dharma) te vervullen. Elk lid van de samenleving heeft zijn eigen dharma. Een schending van de zedelijke wereldorde leidt tot misgewas, ziekte, overstroming en andere ellende. In China beheerst het kosmische begrip Tao (weg, norm) het gehele Chinese denken. Het is de gang van de natuur, de orde in het heelal. De zon gaat op en onder krachtens de Tao, de wet waaraan alles onderworpen is, die in alles woont en werkt. In de Islamlanden worden de wetten beschouwd als afkomstig van Allah. De wetten zijn door de engel Gabriël geopenbaard aan de profeet Mohammed en deze zijn vastgelegd in de Koran.
De filosoof I. Kant, 1724-1804, schreef ‘Du sollst’ is de scharnier waar ons leven om draait. Het is met het leven zelf gegeven en is een onuitroeibaar bezit. Het zal de mens nooit gelukken de klem van die norm weg te redeneren. Als een mens tracht zich vrij te pleiten van schuld, zal hij toch altijd merken dat de advocaat die hem verdedigt de aanklager in hem in geen enkel opzicht tot zwijgen kan brengen. Deze geheimzinnige norm is een poort die naar de religie voert. Zie de afbeelding over de Perzische opvatting van het laatste oordeel, (Chinvatbrug*).

3. De betrokkenheid van een Hogere Macht, Powers beyond us

In een negro-spiritual is dit geformuleerd als ‘He’s got the whole world in His hands’. De omschrijving is vaag gelaten omdat de nadere invulling kan bestaan uit een menigte van goden (Hindoeïsme), een enkelvoudige god (Islam, Judaïsme), een groep van goedwillende en kwaadwillende geesten, die in de omgeving van de mensen wonen, samen met andere geheimzinnige krachten (primitieve godsdiensten) of een verre, ijle, on-persoonlijke macht die de natuurlijke orde tot stand heeft gebracht en deze verder aan haar lot overlaat (Deïsme). De geschiedenis van de mensheid toont ons, dat overal, bij alle volken, het besef heeft geleefd van betrokkenheid op hogere machten. In sommige gevallen werden deze hogere machten duidelijk onderscheiden in goede en kwade machten. Over de beelden die door de vele uiteenlopende volken van de hogere machten zijn gemaakt spreken de mythen*, (vertellingen over goden en goddelijke zaken). Religie wordt in al deze invullingen beschreven als de verhouding waarin de grote, oneindige God staat ten opzichte van de kleine kwetsbare mens. In de Islam wordt de persoonlijkheid van God in sterke mate geaccentueerd. Hij is Allah, de Levende, de Barmhartige, de Almachtige. Er is een grote afstand die de kleine mens scheidt van de alles-beslissende en alles-bepalende wil van God. (Koran, Soere 1).

In het Hindoeïsme is de vraag gerezen: Is de Hogere Macht alléén maar een Heer, een Içvara, voor wie wij ons hebben te buigen en aan wie wij ons hebben over te geven of is Hij ook het diepste wezen van onze eigen ziel? Is de mens in werkelijkheid niet met Hem identiek? Is Hij niet de goddelijke kracht, die in ons sluimert? Het Hindoeïsme heeft nooit definitief een keus kunnen of willen maken tussen de Hogere Macht als Heer of als de geheimzinnige, verborgen kracht, die in de mens en in alle dingen sluimert en leeft. Deze vraag toont verwantschap met de voorstelling van Jung die stelt dat een godservaring identiek is met een ervaring van het archetype Zelf, het ordenende en groeibesturende archetype met een ambivalent karakter dat in het collectieve onbewuste werkzaam is.

4. De verlossingsbehoefte

De bede ‘Verlos ons van de boze’ uit Het Onze Vader vóóronderstelt het vertrouwen dat verlossing van het kwaad mogelijk is. Bij het kwaad wordt gedacht aan misoogsten door droogte, plantenziekten, sprinkhanen of oogstvernielende hagelbuien, verder aan natuurrampen waaronder overstroming, aan bliksem, vuur of stormen, aan invaliderende en dodelijke ziekten van mens en dier (incidenteel en epidemisch), roof en oorlogsvoering. Er is sprake van een kwetsbare afhankelijkheid van de mens van onbeheersbare natuurkrachten, die tegen de draad van het mensenleven kunnen ingaan en zich manifesteren alsof er een vloek op het mensenbestaan rust. Er is bij de mens veel existentiële nood. In India wordt nog genoemd het ooit eens ontkomen aan een zich steeds herhalende reïncarnatie*. Zo lang er niet, zoals in het wetenschappelijk onderzoek van de moderne westerse cultuur, systematisch wordt gezocht naar oorzaken van de ellende en regulerende maatregelen worden getroffen, vindt er in de derde wereld een spontaan verloop van de bovengenoemde ellende plaats die zich door gebeden aan hogere machten niet laat beïnvloeden. Het doormaken van deze vaak levensbedreigende gebeurtenissen roept de behoefte aan verlossing op. Deze verlossing kan alleen tot stand gebracht worden door de machten die boven de mens zijn gesteld. In het Hindoeïsme wordt hoop gekoesterd op een nieuwe belichaming van de god Vishnoe*, een nieuwe avatar*, zoals Hij eens heeft beloofd. Dan zal er een nieuwe wereldperiode of yuga* aanbreken met een opheffing van de zedeloosheid en chaos in de wereld, waarin veiligheid, geborgenheid en rust zal heersen. In alle godsdiensten wordt verlossing beschouwd als iets dat de mensheid als geheel betreft. Indien er verlossing komt, dan kan deze alleen bestaan uit een collectieve redding van de mensheid en niet uit die van de enkele mens. Het leed van de enkele mens is een moment uit de collectieve nood, die de gehele mensheid bedreigd. De verlossing wordt van buiten ons verwacht. De ‘katschool’ in Zuid-India leert dat de mens gered wordt uit het gevaar, zoals het jong van een kat wordt gered. De moederkat neemt het jong eenvoudig tussen de tanden en draagt het weg. Door alle eeuwen breekt door dit collectieve verlossingsverlangen heen, het zoeken van de enkeling, die voor zich persoonlijk het nieuwe leven begeert. Hier is de gedachte aanwezig dat de mens zichzelf kan bevrijden en verlossen. Het is een uiting van een individualiseringsproces. De bewandelde wegen naar de verhoogde kans op verlossing bevatten: gehoorzame rituele offerhandelingen, het streven naar een mystieke extase waarin de mens zich laat verzinken in de totaliteit, kinderlijke religieuze overgave* aan de godheid, gebeden richt aan de hogere machten; onthechting van alle begeerten naar genot en van de drang naar zelfhandhaving (‘Ik-verlangen’).

5. De Levensleiding

Dit vijfde element van het religieus besef houdt in dat het mensenleven alleen denkbaar is als een voortdurend tweegesprek tussen daad en lot. Tussen het Zelf en het Ego. De mens is slechts tot op beperkte hoogte meester van zijn leven. Er zijn machten die groter zijn dan hij en die telkens in het menselijke bestaan ingrijpen en die hem met dwingende kracht voortstuwt en aan wier greep hij zich onmogelijk ontworstelen kan. Hij heeft een sterke behoefte aan een richting in zijn leven. Deze behoefte wordt wel vergeleken met het gebruik van een kompas. We zijn niet op weg naar de Noordpool maar dit verwijzen van het kompas naar het noordpunt helpt ons wel bij het vinden van onze weg. In het oude Babylonië , 2000 v. Chr. werd als symbool gebruikt: de gang van de sterren, waarin zich de ondoorgrondelijke wil van de goden openbaarde en die alle gebeuren op aarde beheersten. (Zie het verhaal van de Drie Heiligen uit het Oosten in de kerstperiode). In het oude Griekenland waren het de drie Moiren*, de schikgodinnen, die het verloop van het mensenleven bepaalden. Wat zou de kleine mens daartegen vermogen? Bij de Germanen waren het de drie Nornen*, die het lot van de mens sponnen. Het eenmaal voorbeschikte was onverwrikbaar. In de negende eeuw komt in de Islam de gedachte op dat de daden van de mens tot op zekere hoogte ook zijn eigen daden zijn, waarvoor hijzelf de verantwoordelijkheid draagt. Met de toename van het zelfbewustzijn van de mens o.m. in de periode van de Renaissance, 1400-1650, kreeg in West-Europa de gedachte van de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid meer aandacht en realiteitskarakter. Maar met zijn daden kan de mens toch niet geheel door zijn lot heen breken. Niemand kan zeggen waar de daad ophoudt en het lot begint. Zij blijven samenhangen. Het lot staat op religieuze bodem. Dit element van het religieus besef toont verwantschap met het psychologische concept van Jung betreffende het proces van individuatie.

Onderlinge samenhang

In werkelijkheid zijn bovengenoemde vijf elementen met elkaar vervlochten. De gedachte van het opgenomen zijn in de totaliteit (1) staat in een nauwe betrekking met de betrokkenheid op een hogere macht (3). Beide zijn weer betrokken met het element levensleiding (5). Het gemeenschappelijk thema is het bepaald worden door het oppermachtige (nood)lot.
De gedachten van de norm (2) en van de verlossing (4) draaien om een andere as en zijn van een andere aard met eigen perspectieven naar een vrije en verantwoordelijke mens.

Culturele integratie

Het religieus besef kan worden gezien als de psychische grondslag waaruit alle religies ontspruiten. De religies van de mensheid verschillen in hun concrete, historisch en cultureel bepaalde verschijningsvormen in veel opzichten van elkaar. Zij hebben echter de bovengenoemde vijf elementen van het religieus besef als oriënterend en samenhangend kader gemeenschappelijk. De verdere structuur van de bovenbouw van de religies loopt van cultuur tot cultuur uiteen. Religies zijn cultuur-specifiek. In de ontwikkeling van elke cultuur is de religie een sterk integrerend moment, dat er groei, ontwikkeling en duurzaamheid aan geeft. Alle culturen op de wereld zijn uit religieuze levens- en wereldbeschouwingen gegroeid.
De Pools-Amerikaanse cultureel anthropoloog Br. K. Malinowskyi, 1884-1942, noemde de religie een diepe morele en sociale kracht die aan de cultuur de ‘ultimate integration’ schenkt en deze draagt en samenbindt. De Britse cultureel anthropoloog Edward B. Tylor, 1832-1917, stelde dat ook in de religie de regel van ‘survival of the fittest’ van toepassing is. De religie die zich het best aansluit aan de grote problemen van het volk of stam heeft de beste kans om te blijven bestaan en uit te groeien. Het verdere betoog zou zich bezig kunnen houden met het doortrekken van het religieus besef naar de godsdienstige bovenbouwen. Behalve dat het aan lestijd ontbreekt zou zo’n voortzetting de grens overschrijden van de psychologie naar de godsdienstwetenschappen.

Illustrerend therapeutisch verslag van een patient die door Jung werd behandeld.
Gedurende het individuatieproces blijkt de religieuze factor van veel betekenis te zijn, met name voor personen die in de tweede levenshelft verkeren. Jung (C.W. 11) vertelde dat hij zelden of nooit een patiënt in de tweede levenshelft heeft kunnen genezen, tenzij de patiënt in de loop van de analyse er in slaagde de religieuze factoren te integreren. Men kan geen wezenlijke vragen van het leven duurzaam buiten beschouwing laten. Deze patiënten tonen problemen met het vinden van een religieus uitzicht op het leven. Uit zijn praktijk vertelt Jung een illustrerend voorbeeld. Een knappe Joodse vrouw had een afspraak voor behandeling gemaakt. De nacht voorafgaande hieraan had Jung een droom over een vrouw die hem consulteerde, maar wier positie hij niet begreep. Toen plotseling in zijn droom dacht hij. ‘Bij Jupiter, wat heeft zij een buitengewoon sterk vadercomplex!’ Het was een soort van openbaring, maar de droom begreep hij op dat moment helemaal niet.
De volgende dag kwam de vrouw bij hem op consult. Zij was al enige jaren lang elders in analyse geweest wegens frequente hevige angstaanvallen, overigens zonder succes. Zij vertelde haar voorgeschiedenis, maar daar kon Jung niets mee aanvangen. Toen dacht hij zou de droom van afgelopen nacht iets met het geval van deze vrouw te maken hebben? Uit haar verhaal was er geen aanleiding om aan zo’n vadercomplex te denken. Hij ging verder met te vragen naar de geschiedenis van haar familie. Zij kwam uit een Chassidisch gezin (chassid is vroom). (Chassidisme* is een joodse godsdienstige beweging die in Polen ontstond omstreeks 1700 als een reactie op de gangbare intellectualistische Talmoedstudie. De beweging is pantheïstisch * van aard en zoekt het goddelijke in elk ding. Deze mystieke beweging streeft naar een leven in heiligheid, deemoed, vreugde en extase). Haar grootvader was een soort wonderrabbi geweest die over een voorspellend ‘tweede gezicht’ beschikte. Haar vader brak met deze mystieke gemeenschap. Zij zelf was van instelling sterk sceptisch en wetenschappelijk georiënteerd. Bij nader onderzoek bleek zij een zeer eenzijdig denktype te zijn met een ‘moordend’ sterk en groot intellect. Jung zei tot haar: ‘Kijk eens, ik zal U iets vertellen en U zult waarschijnlijk denken dat dit alles dwaasheid is, maar U bent ontrouw aan uw God. Uw grootvader leidde een goed en rechtmatig leven, maar U bent erger dan een ketter. U heeft het mysterie van uw ras in de steek gelaten. U behoort tot het heilige volk en hoe leeft U? Geen wonder dat U bang bent voor God, en dat U leidt onder de vreze Gods.’
De genezing van haar neurose vond plaats in de week die volgde op het consult. Haar vorige analyses waren vastgelopen op haar sterk rationele afweerresponse. In zijn commentaar stelde Jung: ‘Zij veronderstelde dat zij met haar armzalige eenzijdige intellect vereenzaamd in een volmaakte banale wereld kon leven. Zij was in feite een kind van God dat verlossing behoefte, als zij in staat was het symbolische leven te leven waarin zij het geheim zou hebben vervuld in haarzelf en in haar familie. Zij was dit allemaal vergeten en leefde in een volledige tegenspraak met haar natuurlijke systeem. Plotseling kreeg haar leven weer betekenis en nu zij de verloren dimensie van het heilige teruggevonden had. Zij kon weer leven. Haar angstneurose ging overboord.’

Mythen*

Daar religieuze boodschappen veelal in mythen zijn verbeeld zijn er enige mythische verhalen gezocht die ter illustratie dienen bij de elementen van het religieus besef. Het thema mythen is door de lange tekst niet aan de orde gekomen. Mythen (Grieks mythos gesproken woord) schuwen abstracties en kiezen bij het uitdrukken van hun transcendente waarheden symbolische beelden uit om over de daden van goden, halfgoden en helden te spreken. De mythen vertolken de zingeving aan de wereld, aan het leven en de cultuur. Zij spelen in de oertijd, de tijd buiten alle tijd, het is de onhistorische oertijd die zin geeft aan elke andere tijd. Mythen zijn in psychologische zin beschrijvingen van psychische processen en van ontwikkelingen in een religieuze attitude die zich afspelen in het collectieve onbewuste.

De totaliteitsbeleving

De dichter Henri Marsman drukt deze beleving duidelijk uit in het kosmisch gedicht XVII dat werd opgenomen in zijn bundel ‘Tempel en Kruis’, 1940.

‘Ik die bij sterren sliep en ‘t haar der ruimten droeg
als zilveren gewei, en ‘t stuifmeel der planeten
over de melkweg blies en in de maan gezeten
langs ‘t grondeloze blauw der zomernachten voer,

ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand,
mijn stem verloor haar gloed en vindt geen weerklank meer
in ‘t dode firmament, niets dan de galm die keert
van ‘t sombere gewelf van mijn ontredderd hart.

Ik sta alleen, geen God of maatschappij
die mijn bestaan betrekt in een bezield verband,
geen horizon of zee, geen poovre korrel zand
in ‘t naamloos wel en wee der brandende woestijn.

Ik voel de waatren stijgen in de nacht,
de angst rijst naar de mond en aan mijn lippen staan
vermoeienis en walg, ik heb mijn merg verdaan
in slaafse horigheid aan het roofzuchtig bloed.

Niets rest mij dan mijn val, laat mij te pletter slaan
en kermen als een meeuw tussen het zwarte wier;
die eens als zon in ‘t zenith heeft gestaan,
zal bijten in het zand als een kreperend dier.’

De betrokkenheid op een Hogere Macht
Deze Hogere Macht komt naar voren in de mythe van ‘De Liaan’ van het Toradja volk op Midden-Sulawesi (Celebes).
Bij de Toradja volk begint de hemel al boven de boomkruinen van het oerwoud.

De liaan die de aarde met de hemel verbond

Tijdens de schepping vertoefde het Opperwezen op de aarde. Na de voltooing vertrok hij naar de hemel. In overoude tijden, in de verre oertijd, groeide er ergens ten Noorden van het Grote Meer (Poso-meer?) een lange, dunne maar sterke liaan, die toegang gaf tot de hemel. Langs die liaan was de oppergod na de schepping weer naar de hemel opgegaan. Daarna was er een onafgebroken verkeer gaande tussen hemel en aarde. Mensen en goden stonden met elkaar in gemeenschap. Helaas is door een noodlottig ongeval de band verbroken, de liaan werd per ongeluk door een onoplettend stamlid doorgekapt met een kapmes waarmee iedere Toradja-man zich dagelijks een weg door het bos kapt. Sinds die dag wordt de aarde aan haar lot overgelaten. Na die gebeurtenis trad er een verlamming op onder de bevolking. Er werd niet meer gewerkt en iedereen bleef stil in zijn hut zitten treuren. De hoofdpriesteres en sjamaan* wist na enige sterfgevallen weer nieuwe hoop te scheppen en het leven weer op gang te brengen. Thans zijn het alleen enkelen, alleen de priesteressen, die in staat zijn nog contact met de hemelse wereld te onderhouden. Zij moeten dan haar innerlijk wezen uit het lichaam doen uitgaan en het doen opstijgen tot in de binnenkamer van ‘de Heer in het Verborgene’. Daar ontvangen zij dan nieuwe levenskrachten, zegeningen en nieuwe adem voor de zieken wier adem dreigt te worden afgebroken.

Bij de Australische Alpichestam was de afloop minder gelukkig. Deze stam droeg altijd een paal met zich mee. Langs deze paal, de symbolische levensboom, konden zij hun schepper-god Numbakula in de hemel bereiken. Deze paal brak eens en de stam trok daarna niet meer door de woestijn. Zij gingen op de grond liggen om te sterven. De as van hun wereld was gebroken en de verbinding met de wereld van het heilige was verdwenen. Hun god had hen verlaten.

In het gedicht van de Oosenrijkse dichter Rainer Maria Rilke, 1875-1926, dat opgenomen is in het ‘Buch der Bilder ’1902 komt ook de betrokkenheid op een Hogere macht tot uitdrukking. De Nederlandse vertaling is van Peter Versteegen.

Herfst

Er vallen en hun val is een verwijt,
als van ver weg, of in de hemel verre
tuinen verwelken, zo vallen er blaren.

En in de nacht valt vanuit de sterren
de zware aarde in de eenzaamheid.

Wij allen vallen. Deze hand hier valt.
En kijk naar anderen: het is in allen.

En toch bestaat er één die rond dit vallen
Oneindig zacht zijn handen heeft gebald.

Het Normbesef en de Verlossingsbehoefte
Deze beide elementen worden in beeld gebracht in het verhaal van de Chinese regenmaker, dat afkomstig is van Richard Wilhelm*, 1873-1930, een missionaris en sinoloog die in China werkzaam is geweest vóór de communistische revolutie. Als zendeling was hij naar China getogen en werd daar zo sterk door de Chinese cultuur geboeid geraakt dat hij zich ging toeleggen op de studie van de Chinese cultuur en filosofie. Hij vertaalde o.m. het eeuwenoude orakelboek ‘I Tsjing’, 1924. Samen met C.G. Jung schreef hij het boek ‘Het geheim van de gouden bloem’, in 1929. Het verhaal heeft een Tao*-istische achtergrond. Tao verwijst naar betekenis, andere vertalingen van dit begrip zijn: weg, goddelijke kracht, god. Het is het centrale begrip in het wereldbeschouwelijke denken van China, waarvan de beginselen van de werkelijkheid worden afgeleid.

Het centrale voorstellingsconcept van de kosmische krachten die in de Chinese werkelijkheid aanwezig zijn, is dat van de complementaire Yang*en Yin*, die intuïtieve zinnebeelden zijn. Het samenspel van deze hoogste symbolen Yang en Yin roept het kosmische rythme op en symboliseert de hartslag van de natuur. Deze krachten regelen ook de betrekkingen tussen man en vrouw. De keizer is verantwoordelijk is voor het harmonisch passen van de menselijke samenleving in het kosmische patroon van Tao. Echter, iedere burger moeten zorgen voor het passen van zijn eigen rythme en zich met goede manieren, hoffelijk, blij en tevreden te schikken naar de geordende harmonie van gezin, familie en samenleving. Men dient volgens de geldende voorgeschreven levensdiscipline na bijvijling en polijsting van zijn gedrag passend te functioneren als een radertje in het geheel van zijn locale streekgemeenschap, die op haar beurt weer diende te passen in de grote kamraderen van het keizerrijk. Met harmonisch geordende families kan de staat doelmatig worden bestuurd. Met een doelmatig bestuurde staat komt er vrede in het Grote Geheel. Vrede betekent het onderling corresponderen van het persoonlijke, familiaire, sociale en kosmische rythme.

De regenmaker die in Tao was

Toen R. Wilhelm in China werkte had de streek waar hij woonde te lijden onder een grote droogte. Het was in de provincie Szechwan, in N.W. China. Er was al maandenlang geen druppel regen gevallen en er dreigde een noodlottige hongersnood nu de oogst op mislukken stond. De katholieken hielden processies, de protestanten hielden gebedstonden voor de regen en de Confucianisten verbranden afgodsbeelden, brandden wierookstokjes en schoten geweren af om de demonen van de droogte af te schrikken, maar dit alles bleef zonder resultaat. Toen de nood steeds hoger steeg kwam één van de boeren op de gedachte om de regenmaker van Kiaochau te laten komen. Uit een naburige provincie verscheen de uitgenodigde, magere, oude man bij het dorpshoofd. Zijn enige verzoek betrof het mogen verblijven in een rustig, klein huisje op de dorpsrand. Daar sloot hij zichzelf op gedurende drie dagen. Op de vierde dag pakten er donkere wolken zichtbaar samen aan de hemel en er volgde een langdurige en hevige sneeuwstorm van natte sneeuw, die ongebruikelijk was voor de tijd van het jaar, waarin sneeuwstormen van dergelijke hevigheid nooit waren voorgekomen. De stad en de dorpen er om heen waren vol van geruchten over de regenmaker. Wilhelm wilde graag, terwille van eigen waarneming, hem ter plaatse een bezoek brengen.

Hij wilde naar de regenmaker toegaan en hem vragen hoe hij te werk was gegaan. De dorpsoudste en R. Wilhelm gingen samen naar de regenmaker toe en Wilhelm vroeg hem op een directe Europese manier: ‘U wordt alom de regenmaker genoemd. Zou U willen vertellen hoe U de sneeuw heeft gemaakt?’ De kleine Chinees vertelde toen :’Ik heb de sneeuw niet gemaakt. Ik ben daarvoor niet verantwoordelijk.’
Maar wat heeft U dan de afgelopen drie dagen gedaan’. ‘Oh, dat kan ik U verklaren. Ik kom uit een andere streek waar de dingen in harmonie zijn. Hier in deze streek zijn de rythmes verstoord. Zij zijn niet zoals deze volgens de hemelse ritus dienen te zijn. Daarom is uw hele landstreek niet in Tao en ikzelf was direct na aankomst ook niet meer opgenomen in de natuurlijke orde van de dingen omdat ik in een verward land was gekomen. Daarom diende ik eerst drie dagen te wachten tot ik terug in Tao was en toen kwam vanzelfsprekend de regen’. De regenmaker had zijn micro-kosmos* weer in balans gebracht met de macro-kosmos. De regenmaker zag de kosmos als een levend en bezield organisme en als het mystieke lichaam van de goden.

Levensleiding

Het derde verhaal is betrokken op het element ‘Levensleiding’.
Het is een gedicht van Mary Stevenson, 1936, met de titel ‘Wandeling met God’

Ik droomde eens en zie, ik liep
aan ‘t strand bij lage tij.

Ik was daar niet alleen, want ook
de Heer liep aan mijn zij.

We liepen saam het leven door
en lieten in het zand,
een spoor van stappen, twee aan twee;
de Heer liep aan mijn hand.

Ik stopte, keek achter mij
in tijden van geluk en vreugd,
van diepe smart en hoop.

Maar als ik goed het spoor bekeek,
zag ik langs heel de baan,
daar waar het juist het moeilijkst was,
maar één paar stappen staan.

Ik zei toen: ‘Heer, waarom dan toch?’
Juist toen ik U zo nodig had,
juist toen ik zelf geen uitkomst zag
op het zwaarste deel van het pad…

De Heer keek toen vol liefde mij aan
en antwoordde op mijn vragen:

‘ Mijn lieve kind, toen ‘t moeilijk was,
toen heb ik jou gedragen…’

Betrokkenheid op een hogere macht

Overgenomen uit de bundel: ‘Goden, Mensen, Dieren’, 1956. van de Javaanse dichter Raden Mas Noto Soeroto, 1888-1951.
Hij was prins afkomstig uit het huis van de Paku Alam van het vorstendom Jogjakarta. Zijn literair werk verscheen in het Nederlands.

Het Schaduwbeeld.

Wajang

Heer, laat mij een wajang zijn in Uw handen.
Ik kan een held zijn of een demon, een koning of
een nederig man, een boom, een plant, een dier…
maar laat mij een wajang zijn in Uw handen.

Dan zal ik, hetzij ik groot ben in het gejoel van de strijd,
of klein als een spelend kind onder de waringins,
Uw taal spreken.

Dit mijn aardse leven is vol van moeite en strijd en
mijn vijanden, die vele zijn, lachen om mij.
Hun hoon schiet sneller naar het doel dan gevederde pijlen;
hun woorden vlijmen scherper dan krissen.

Mijn strijd is nog niet uitgestreden.
En straks zult Gij mij wegnemen: ik zal neerliggen bij de anderen,
wier spel reeds werd volbracht.
Ik zal bij de duizenden zijn in het duister.

En mijn strijd was nog niet ten einde;
Nog dansen mijn vijanden.
Heer, laat mij een wajang zijn in Uw handen.

Dan zal over honderd jaar of over duizend jaar
Uw hand mij weer doen bewegen.
Dan zult Gij mij ééns, wanneer mijn tijd in Uw eeuwigheid gekomen zal zijn,
opnieuw opnemen en ik zal opnieuw spreken en strijden.

En éénmaal zullen mijn vijanden zwijgen
en zal de demon neerliggen.
Heer, laat mij een wajang zijn in uw handen.

Een gedicht van Cor Klinkenbijl uit zijn bundel ‘Diafragma’, 1946 beschrijft het besef van de eindigheid van het leven.
In het slotakkoord komt de levensleiding tot uitdrukking

De onvoorziene Dood spreekt:

Ik deed het licht en uiterst vlug
en boog mij snel van hem terug.

Ik raakte hem slechts even aan,
maar volg hem in de Lindelaan.

Ik zie zijn ernstig trouw gezicht,
verinnigd in het late licht.

Ik volg hem stil en zonder haast:
Ik weet hij loopt hier voor het laatst.

Hij is al dicht bij mijn vallei.
Straks landt hij aan de overzij.

Hij roemde eens mijn dringend lied.
Ik ben zijn vriend, hij weet het niet.

Nu zijn wij samen onderweg,
de weg tot aan de rozenheg,
waar langs zijn voeten ‘s avonds gaan.

De sterren gaan hem niet meer aan.
Wij komen nog wel even thuis.

Dan hoort hij plots een vreemd geruis,
als ik mijn mantel om hem leg…

Een siddering – en wij zijn samen weg.

Literatuur:

  1. J. H. Bavinck. Religieus besef en christelijk geloof. Kok. Kampen. 1949;
  2. B. Hanna. The Face of the deep.The religious Ideas of C. G. Jung. The Westminster Press. Philadelphia. 1967;
  3. Carl Alfed Meier. Jung’s Analytial Psychology and Religion. Feffer and Simons. Amsterdam. 1972. Pg. 64-80;
  4. C.G. Jung. Collected Works. Vol 11 Psychology and Religion. pg. 344 en 468-469;
  5. C. G. Jung. Collected Works. Vol 14, pg. 419 note, (Rainmaker);
  6. C. G. Jung Collected Works. Vol.18. The Symbolic Life;
  7. Wayne G. Rollins. Jung and the bible John Knox Press. Atlanta. 1983.

Article printed from Jung’s psychologie: http://www.jungspsychologie.nl

URL to article: http://www.jungspsychologie.nl/artikelen-over-cg-jung/over-het-religieus-besef/

Copyright © 2008 Prof. Dr. M. Timmer. Alle rechten voorbehouden.