Behoefte aan een model.
Om zich in de onzichtbare wereld van de menselijke psyche te oriënteren is het hanteren van een model, een ontwerp, van belang, waarin de onderscheiden gedeelten van de psyche worden benoemd en beschreven in hun samenhang. De functies van de psyche worden in dit model apart beschreven maar ook met de andere delen in verband gebracht. Door de psychologe Jolanda Jacobi,1890, 1973, is met toestemming van C. G. Jung een model van de psyche opgesteld dat behulpzaan diende te zijn bij het bestuderen van de analytische psychologie en bij het werk van de psychotherapeut om zoveel mogelijk eenheid in naamgeving en regelmaat in de verschijnselen te onderkennen. Zij maakte tekeningen van het model die op aparte pagina’s zijn toegevoegd aan deze tekst. De eerste tekening geeft een gelaagde structuur aan. Zoals het lichaam een anatomische geschiedenis van miljoenen jaren heeft, zo heeft het psychisch systeem dat eveneens. Volgens de ontwikkelingsgeschiedenis begon ons bewustzijn in een toestand die we nu onbewust dierlijk zouden noemen. Elk kind herhaalt dit differentiatieproces. Men beseft bij deze ontwikkeling dat bij de overgang van een lager naar een hoger niveau de elementen van het lagere niveau aan zelfstandigheid inboeten, daar zij in een nieuwe structuur worden opgenomen die op iets kwalitatief anders is gericht dan de lagere structuur. Door de ontwikkeling worden oude elementen ‘opgeofferd’ aan de doelstelling van de nieuwe structuur en worden daarin secundair. Een model heeft het nadeel dat het een statische indruk biedt omdat de dynamiek van de psychische processen niet in een dergelijk model zijn aan te geven.
De cirkel als vorm van de psyche
(afbeelding schema I en II)
Voor de vorm van de psyche werd de cirkel gekozen De keuze van de cirkel is ontleend aan Plato. Hij beschouwde deze geometrische vorm als de meest volmaakte en zag de ronde vorm als een symbool van volkomenheid. De cirkel stelt de gehele psyche voor, d.w.z. zowel het bewuste als het onbewuste deel ervan. Het bewuste deel is kleiner van omvang afgebeeld daar de grenzen van dit deel zijn aan te geven, van het onbewuste deel zijn geen grenzen bekend. Aannemelijk is om dit onbewuste deel groter voor te stellen daar het geheel van complexen, emoties, intuïtie, instinctieve driften, archetypische krachten, psychische energie, invallen en creativiteit daar hun plaats van oorsprong hebben. De psyche zal een onsplitsbare eenheid blijken te zijn met een ingewikkelde veelheid van samenstellende delen. Men kan zich de psyche niet gecompliceerd genoeg voorstellen. De psyche is een energetisch geheel, een dynamisch werkende totaliteit met energetisch verschillend geladen structuurdelen. Door verschil in energie, in intensiteit zijn er binnen de psyche altijd spanningen. Dat is goed en dat is nodig. Dat houdt het leven in stand en op gang. In weerwil van deze spanningen en van allerhande schommelingen is het geboden, dat er een zeer bepaalde energieverdeling en daardoor een juist of gewenst evenwicht gehandhaafd blijft. Op deze voorwaarde alleen bewaart men zijn rust en zijn gezondheid.
Ego*
Het ego is het centrum van het bewustzijnsveld. Geen enkele inhoud die in dat veld komt kan de kwaliteit bewust worden bereiken tenzij deze inhoud verbonden raakt met het ego. Alle bewuste psychische activiteiten staan onder beheer van het ego. Inhouden kunnen soms in het bewustzijnsveld terecht komen en het ego onopgemerkt passeren en zo in het onbewuste deel van de psyche terecht komen. Deze inhouden worden subliminaal genoemd. (Lat. limen, betekent drempel). Zij schieten onder de bewustzijnsdrempel door het bewustzijnsveld heen en komen zo in het onbewuste deel terecht.
Het ego ontstaat uit het archetype Zelf*, het centrale regulerende archetype van de gehele psyche, het bestuurlijke en ontwikkelingscentrum van zowel het bewuste als van het onbewuste deel. De wording van het ego vindt plaats in de eerste levenshelft tot ca. 35 jaar. Het ego verlost zich uit het Zelf en is bij voorspoedig verloop omstreeks die tijd zo goed als volledig uit het Zelf getreden maar blijft er wel mee verbonden. Deze verbinding tussen ego en Zelf wordt aangeduid met de ego-Zelf-as*. Het ego is van het archetype Zelf de ‘ambasadeur’ in het bewustzijn. De beïnvloeding van het bewustzijn vanuit het onbewuste deel van de psyche verloopt o.m. langs deze as. De voorziening met psychische energie kan men zich langs deze verbinding voorstellen. Over de functie van dit centrale archetype Zelf is in het artikel ‘Over het Zelf en de eeuwige jongeling’ verder ingegaan.
Egofuncties*:
Aan het ego worden een viertal specifieke functies toegekend (zie afbeelding schema III en IV):
- Het waarnemen, dat het werkelijkheidsgehalte van de objecten kan vaststellen. Waarnemingen vertellen niet wat er gaat gebeuren;
- Het denken, dat schift en tracht aan te geven wat de aard van het object is. Het denken geeft het object een naam, plaatst het object in categorieën en zoekt naar het samenhangende geheel, de betekenisgevende context, waarin het object zijn plaats en functie heeft. Voor deze functie heeft het ego (subject) enige afstand nodig ten opzichte van het object;
- Het gevoelen, dat aangeeft wat het object voor de waarnemer betekent, b.v. een bedreiging, een gezochte, een hooggewaardeerde zaak of een (on)nuttig verschijnsel. Het betreft een waarderend oordeel;
- De intuïtie, (Lat.intueri betekent kijken naar) geeft aan waar het waargenomene vandaan komt en waar dit heen gaat. De intuïtieve inhoud, ingevingen en voorgevoelens, die uit het onbewuste als een flits worden aangereikt, heeft een directe inhoud van een concreet gegeven en reikt een oordeel aan over zekerheid en (on)twijfelbaarheid. De inhoud kan later blijken onjuist te zijn. De critische zin dient waakzaam te zijn.
Deze analytische beschrijving suggereert een onfhankelijk functioneren van elk der functies. In feite functioneren de vier functies steeds synchroon, gelijktijdig. In zijn typologie van persoonlijkheden gebruikt hij als het eerste indelingscriterium: de introversie* of extroversie*. Daarna wordt de dominante egofunctie als tweede indelingscriterium gebruikt.
Persona*
De persona is een complex van functies, die uit overwegingen van sociale aanpassing tot stand komen en niet samenvallen met de individualiteit. De persona is een soort compromis tussen het individu en de gemeenschap. De persona heeft uitsluitend betrekking op het sociale aspect, de sociale rol die de persoonlijkheid vervult. Het individuele bewustzijn wordt door de persona verbonden met de sociale gemeenschap. Aan de buitenrand van het bewustzijnsveld is een afscherming naar de buitenwereld op te merken. Elke samenleving eist dat men zijn innerlijk bedekt en beschermt, dat de psyche zich achter een omhulsel verborgen houdt, zich althans niet nodeloos bloot geeft. Een goed aangepaste persona maakt de onderlinge, de sociale omgang gemakkelijk en soepel. Persona (Lat. masker, rol) is genoemd naar het masker dat door toneelspelers in de klassieke oudheid werd gedragen om de gespeelde rol aan te geven. De persona is de uitingsvorm van de archetypische impuls, die aanzet tot aanpassing aan de uitwendige werkelijkheid en de collectiviteit. Dit aanpassingsproces vindt plaats tijdens de opvoeding en wordt sterk door de cultuur bepaald (enculturatie). De persona is datgene waar een mens in zijn sociale omgeving voor doorgaat en de wijze waarop hij zich gedraagt en voordoet. Bij andere auteurs wordt persona wel aangeduid met de term sociaal karakter.
Als er een te hechte identiteit met de beroepsrol tot stand komt, en deze als het ware ‘vastgeplakt’ raakt aan het bewuste deel van de psyche, ontstaan er problemen. De persoonlijkheid is dan ‘verstold’ , verstard geraakt in de beroepsrol. Er is een valse identificatie tot stand gekomen met ambt en titel, met de door de samenleving toegekende waardigheid. Dit wordt vaak waargenomen bij uniform dragende functionarissen. Strikt genomen is de persona een masker, iets irreëels. Indien zij al iets werkelijks zou zijn dan is het een secundaire werkelijkheid.Indien men in de persona iets essentieels gaat zien, geen onderscheid meer kent tussen uiterlijk en innerlijk, tussen het sociale aspect en het eigenlijke zelf, dan betekent dit dat de innerlijke natuur, het reëele zieleven te kort komt. Het onbewuste kan dan compenserende dromen aanreiken die precies het tegendeel in beeld brengen van wat men in de samenleving voorgeeft te zijn.Dromen zijn een natuurproduct en de natuur misleidt niet. Hopelijk geeft nog het carnaval met een gelegenheid voor een gelegaliseerde en getolereerde uitbarsting van krachten die een heel jaar door de persona werden beteugeld, nog een bevrijding. Er is dan even ‘Ferien vom Ich’. Daarna is de persona weer afneembaar en vooral ook verwisselbaar.
Het onbewuste deel van de psyche
Het bewustzijn is niet heer en meester over het onbewuste geworden. Het Ik, de ego, dient met het onbewuste tot een uiteenzetting te komen opdat de beide werelden in evenwicht met elkaar kunnen bestaan. Het onbewuste deel van de psyche wordt verdeeld in een persoonlijk onbewust en een collectief onbewust deel. Onder de drempel van het bewustzijn is alles een en al leven. In symbooltaal wordt de scheiding wel uitgebeeld als een wateroppervlak waaronder de wereld van vissen en waterplanten leeft.
Persoonlijk onbewuste
Dit deel van de psyche bevat uitsluitend díe elementen die ooit in het bewustzijn zijn voorgekomen. Dit deel omvat de som van alle onbewust geworden inhouden, die in betrekking staan tot de eigen persoon. De inhoud van het persoonlijk onbewust omvat :
- De in het geheugen opgeslagen herinneringen die bij goede functie van het geheugen, vlot weer terug in het bewustzijn kunnen worden gebracht;
- Ervaringen, gevoelens en feiten die men vergeten is en die na oproep weer worden herkend;
- Subliminale waarnemingen, die onopgemerkt langs het ego zijn geslipt;
- Verdrongen herinneringen waaraan angst is verbonden, met een fout gedrag samenhangen of die pijnlijk zijn door vernederende ervaringen die men er bij heeft ondergaan en die door het ego nog worden afgeweerd.
Complexen
(afbeelding zie schema V) Jung definieert complexen als ‘afgespliste psychische delen van de persoonlijkheid, groepen van psychische inhouden, die zich van het bewustzijn hebben afgescheiden. Complexen functioneren willekeurig en autonoom. Zij leiden een afzonderlijk bestaan in de donkere sfeer van het persoonlijk onbewuste van waaruit zij steeds bewuste prestaties kunnen remmen of bevorderen.’ Een complex kan werken als een functioneel storingscentrum in passende situaties en zo de psychische evenwichtstoestand verstoren. Complexen (Lat. complexus betekent omstrengeling, omarming) zijn dus psychische inhouden die een betrekkelijk afgesloten geheel vormen en in het onbewuste verkeren. Een complex bestaat uit een ‘kernelement’, dat verbonden is met talrijke associaties met een gelijke en sterke affectieve lading, gevoelstoon. Deze associaties hangen deels af van de oorspronkelijke persoonlijke disposities en deels van de causaal met de omgeving verbonden belevingen. Het complex wordt tot een zelfstandige psychische eenheid in het persoonlijk onbewuste en onttrekt zich daar aan de zeggenschap van het ego. Het vormt bij opduiking in het bewustzijn een storend ‘vreemd lichaam’,( Lat. corpus alienum). Het complex is als het ware een ‘neuralgisch punt’ opgedaan in de ontwikkeling van het individu. Deze elementen zijn veelal van persoonlijke en soms ook archetypische aard. De afsplitsing van een complex van het ego vindt plaats ten gevolge van o.a. morele conflicten, angst, traumatische invloeden, aanpassingsmoeilijkheden en hevige emoties. Een complex kan ook tot stand komen door bepaalde tendenzen die zó sterk tegengesteld zijn aan de bewuste houding, dat het bewustzijn de onverenigbare inhouden ervan niet verdraagt. Het complex wordt dan naar het onbewuste deel van de psyche verdrongen. Een complex beschikt over eigen psychische energie, die ten koste gaat van de energie van het bewustzijn. Een complex neigt naar een eilandbestaan, terwijl de banden met het ordenende ego verslappen. Complexen kunnen de intenties van de wil en de bewuste houding beinvloeden.
Daar Jung veel bekendheid kreeg door zijn associatie-experimenten omstreeks het jaar 1904 is een verslag van twee pagina’s in fotocopie bijgevoegd als aanhangsel. Hierin wordt beschreven op welke wijze het opsporen van complexen werd uitgevoerd.
Collectief onbewuste
Dit deel van de psyche wordt ook met de term objectieve psyche aangeduid. Het concept collectief onbewuste is een hypothese van Jung, die stelt dat dit deel van de psyche de grondslag vormt van al het psychische leven. Alle inhouden, die in het onbewuste verblijven, zijn voor direct wetenschappelijk onderzoek ontoegankelijk. Dit laatste eist een goede toegankelijkheid van dit deel van de psyche voor het onderzoekend ego en dat ontbreekt. Dit collectieve onbewuste is onbewust van nature en bezit een autonomie. Het kent een hoge graad van intersubjectiviteit, aangezien alle mensen er deel aan hebben. Het vormt de basisstructuur van de psyche. Krachten die werkzaam zijn in de diepere lagen van de psyche werken door in hogere regionen. Dit onbewuste deel van de psyche is door de evolutie tot stand gekomen en wordt overgeërfd en is dus niet individueel verworven, zoals dat wel het geval is met het persoonlijk onbewuste. De disposities voor de vitale reacties zijn sedert de oertijd via de hersenstructuur van generatie op generatie overgedragen. Het is de gemeenschappelijke stam waaruit verschillende psychische ontwikkelingslijnen voortkomen. Het is de ‘schatkamer’ van de psychische erfenis van de gehele mensheid. Het creatieve werk van kunstenaar en onderzoeker groeit uit onbewuste diepte op. Uit dit deel van de psyche komen dromen, sprookjes, fantasieën en mythen voort, die veelal beeldende symbolen uit het verleden gebruiken om hun verhaal vorm te geven. Symbolen drukken op alle lagen van de psyche een niet op andere wijze formuleerbare waarheid uit. Symbolen zijn het oorspronkelijke uitdrukkingsmiddel van het onbewuste.
Evenwicht tussen bewustzijn en het onbewuste deel van de psyche
Het bewuste en het onbewuste vormen samen de psyche. Binnen de psyche hebben beide hun eigen sfeer en hun eigen functie. Het onbewuste bezit scheppende autonomie. Het kan evenzeer hulpvaardig als dreigend zijn. Tussen beide sferen bestaat een verhouding, die streeft naar vereffening , naar evenwicht. Hoeverder de bewustzijnspositie zich verwijdert van een bepaald evenwichtspunt, des te gevaarlijker worden de naar vereffening strevende onbewuste inhouden. Als voorbeeld geldt het gedrag van ‘opgeprikte daghelden’. Alle opschepperige praatjesmakers, bazige superieuren, koeionerende commandanten slapen slecht. Des nachts voelen zij zich miserabel en kunnen niet gemakkelijk in slaap komen. Als zij slapen is het een onrustige slaap.Overdag lopen zij hoog op stelten, des nachts zijn zij als de worm die zich kronkelt. Hun angstdromen heeft men te zien als dreigingen van een verstoord evenwicht. Hun persoonlijke onbewuste protesteert tegen de onjuiste, verwrongen bewuste houding overdag. Als dit erkend wordt treedt er assimilatie op en gedragscorrectie, zodat het evenwicht weer hersteld. Wat in het bewuste leven scheef getrokken wordt, weerspiegelt het onbewuste in de droom. Wij hebben hier van doen met een oude wijsheid. In het boek der Psalmen van David wordt deze wijsheid aldus uitgedrukt:’ Zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.’ De nieren werden toen en daar beschouwd als de plaats waar het geheim van het leven was gezeteld.
Het collectief onbewuste omvat het animale leven, speciaal het geheel van driften en instincten. Het grenst direct aan de fysiologische processen binnen het lichaam.
Bij de beschrijving van het verschijnsel instinct* (Lat. aansporing) stelt Jung dat bij de ontwikkeling van de instinctkiem, gelegen op de grens van het organische en diepste psychische deel, deze kiem zich in de loop van de ontwikkeling differentieert in een viertal richtingen. Een uitgerijpt instinct kent de volgende neigingen, dat zijn dynamische factoren van motiverende aard, krachten die buiten het bewuste gezichtsveld liggen, maar hun eigen doeleinden nastreven. Deze vier krachten ontlenen hun energie aan het collectieve onbewuste.
Het betreft:
1 Drijfveer tot zelfbehoud. Het zoeken naar bestaansmiddelen. De activiteit van voeding zoeken neemt in het leven van het dier een groot deel van zijn wakende leven in beslag. In de menselijke samenleving is het veelal het uitoefenen van arbeid die de mens voedsel, kleding en onderdak kan verschaffen. Verder betreft deze neiging: zelfverdediging, beveiliging zoeken en op de juiste tijd vluchten;
2. Het verwerven van macht bij de groepsvorming. De sociale ordening van een samenlevende groep zowel van zoogdieren als van mensen kent altijd een hiërarchische ordening, d.w.z. de macht is in elke groep ongelijk verdeeld. Ieder individu doet wijs om voldoende macht te verzamelen opdat hij zich in de groep aanvaardbaar kan maken, zich kan handhaven en zijn bereikte positie weet te verdedigen. De verworven macht kan aangewend worden ter verwerving van aanzien, invloed, inkomen, behoud van de status quo en comfort;
3. De geslachtsdrang, die na lustbeleving met een partner leidt tot nieuwe geboorten. De aanwas van nieuwe leden van de gemeenschap doet de groep overleven. Bij zeer veel volken en met name in de zgn. ontwikkelingslanden bestaat de bevolking voor 40% uit personen van 0 tot 14 jaar. De hoge vruchtbaarheid die leidt tot 40 nieuwgeborenen per 1000 personen per jaar woog vroeger als regel op tegen de hoge sterfte door endemieen, epidemieën, natuurrampen (waaronder hongersnoden door misoogsten tengevolge van uitblijvende regenperioden, sprinkhanenplaag, stormen) en door locale oorlogen met plunderingen en moorden;
4. Het cultureel-religieuze instinct leidt tot bezinning over de eigen plaats in de samenleving en haar geschiedenis en over de zin en betekenis van het eigen leven. De mens heeft in zijn ontoereikendheid een sterke behoefte aan een helder gestabiliseerd wereldbeeld. Wanneer de prikkels van het religieuze instinct in het collectief onbewuste actief worden, worden deze archetypische krachten genoemd. Wanneer deze krachten later in het bewustzijn geactualiseerd worden, reiken deze een aanknopingspunt voor religieuze bezinning aan. In deze religieuze drijfveer past het religieus besef en het betrokken worden in de culturele en religieuze activiteiten van de gemeenschap waarin men leeft. Er woont in de mens een verlangen naar het ook betrokken worden op de niet-empirische wereld, op het oneindige, dat zich weliswaar aan waarneming en onderzoek onttrekt, maar die door de behoefte wel wordt opgeroepen en waaraan men een hoge waarde toekent. De religie is er voor de mens, de mens is er niet voor de religie. Men verwacht van de religie veiligheid, bescherming en verlossing. Deze religieuze drijfveer is een psychisch feit en is betrokken op de subjectieve niet-empirische werkelijkheid.
In het collectieve onbewuste deel van de psyche verblijven de instincten en de archetypen*. Men denkt zich de driften diep in de psyche te lokaliseren op de grens van het biotische en het psychische. Instincten (Lat. instinctus betekent aansporing, ingeving) zijn doelgerichte krachten of neigingen, die aanzetten tot gedragspatronen die de levensbelangen van het individu of de soort bevorderen. Instincten verschaffen motiverende krachten tot handelen in een specifiek gedrag volgens een aanwezig activiteitsplan. De handelingenreeks blijft gelijksoortig en herhaalt zich regelmatig.
Archetypen vormen het grondpatroon waarin en waarmee de instintieve krachten hun plaats en intensiteit krijgen in de persoonlijkheidsstructuur en in het sociaal-cultureel functioneren.
Archetypen, Oerbeelden
Het collectief onbewuste is gestructureerd in zogenoermde archetypen. Archetypen (Gr. archè betekent begin en tupos, gestalte, afbeelding) zijn onbewuste reactiepatronen en strevingen, die in het collectief onbewuste hun verankering hebben. In archetypen zijn archaïsche, onbewust-animale krachten structurerend werkzaam. Archetypen hebben altijd te doen met elementaire menselijke mogelijkheden. Het aantal archetypen blijkt in de psychotherapeutische praktijk beperkt te zijn. Jung stelde dat er evenveel archetypen zijn als er voor de overleving relevante situaties in de groei van de mens voorkomen. In het artikel over ‘De eeuwige jongeling’ is dit aan de hand van de beschrijving van het archetype Zelf verder uitgewerkt. In mythen komen archetypen of aspecten ervan vaak voor als bovennatuurlijke gestalten, waaronder goden, helden en demonen, maar het kunnen ook menselijke en dierlijke gestalten en verschijnselen van natuurgeweld zijn. Zij vormen de uitdrukking van het creatieve psychische vermogen, dat zich uit in beelden. Het vermogen om archetypische inhouden voort te brengen en in beeld te brengen is in het collectieve onbewuste gelegen. Dit vermogen is erfelijk.
Archetypen vormen duurzame structurele componenten van het collectieve onbewuste, die een doelmatige instinctieve aanpassing aan de samenleving mogelijk maken. Deze structuurelementen van de psyche zijn gericht op de overlevingsvragen van het menselijk bestaan. Het zijn tijdloze en verborgen regulatoren van het psychische leven. De werking van een archetype is niet oproepbaar door een bewust wilsbesluit, maar is autonoom (eigenwettig) van aard. De werking ervan wordt geactiveerd buiten de invloed van de wil.
Veldconcept
Marie-Louise von Franz stelt zich voor dat het collectieve onbewuste het veld van de psychische energie is, waarin de archetypen de geactiveerde punten zijn en waarbinnen men, zoals in een natuurkundig veld, buurrelaties aanwezig zijn. Het collectieve onbewuste wordt gezien als in een matrix geordend geheel waarin de archetypen de afzonderlijk geactiveerde punten zijn die op de knooppunten zijn gelegen. In het midden van het matrixveld is het archetype Zelf * gelegen, dat de functies van de andere archetypen reguleert. De werking van archetypen wordt geactiveerd buiten de invloed van de wil in situaties die b.v. een compensatie van eenzijdigheid in de psyche noodzakelijk maken. In mythen, dat zijn openbaringen van het ‘goddelijk’ leven in de mens, verder in sprookjes, fantasiën en dromen komen voorstellingen met archetypische beelden en thema’s vaak in samenhangende verbanden van motieven voor.
Enige archetypen met name genoemd.
Het archetype van Grote moeder, wereldboom, zon, bron, dood en vader komen in mythen en sprookjes vaak onderling samenhangend voor.
In de graftombe van de Egyptische koning Sethos I, 1304-1290 voor Chr. bevindt zich een afbeelding van een wereldboom met op de stam een vrouwenborst, waarvan de koning drinkt. Hij zuigt letterlijk van de borst van de wereldboom.
- De boom stelt de kosmische moeder voor die de koning voedt. In vele sagen wonen de zielen van de ongeboren kinderen onder de bladeren van de wereldboom en vanaf die plek verhuizen zij naar de aarde om geboren te worden. In deze gedachtenwereld wordt de boom als een soort van baarmoeder voorgesteld, waarin de aarde de ongeboren kinderen tot leven brengt;
- De zon wordt in mythen wel voorgesteld als de gouden appel aan de levensboom. De zon is de vrucht van de levensboom. In vele mythen ligt onder de levensboom een bron waar het leven aan ontspringt. Zon en Maan : de lichtgevende ster en planeet, waardoor bij de gratie ervan het leven op aarde kan voortbestaan. Archetypen hebben een biologische basis. Jung illustreert dit met vele voorbeelden ontleend aan de dierenwereld. De Egyptische godenwereld kent enige goden met een dierenkop.
- Zondvloed en Ragnarök, (godenschemering) : die het einde van een tijdperk aangeven en het begin van een nieuwe aera melden.
- Dubbelganger : die verband heeft met de Dood, Held, Rots, Bron (van de creativiteit);
- De tovenaar, die over magische krachten beschikt en het onmogelijke mogelijk kan maken
- Quaterniteit : de vierheid als symbool van de volledigheid en heelheid. Ons DNA is opgebouwd met vier soorten aminozuren. Als symbool komt de mandala, een cirkel in een vierkant, in veel dromen voor;
- Zelf, Dit archetype wordt beschouwd als het bestuurlijke centrum van de gehele psyche, d.w.z. zowel van de bewuste als van de onbewuste verschijnselen. Het is de drijvende kracht gericht op de verwerkelijking of individuatie van de meest ideale menselijkheid waartoe iemand in aanleg in staat is uit te groeien. Het Zelf is de causa finalis, de door het gestelde doel gedetermineerde krachten, die streven naar een geordende en optimale ontwikkeling van de gehele psyche, waarbij zowel het bewustzijn als het onbewuste zijn inbegrepen. Het Zelf zorgt voor de identiteit door alle fasen van het leven heen en is autonoom ten opzichte van het bewustzijn. Dit archetype is het meest actief in het religieuze symbolische leven. Jung noemt dit archetypische systeem wel de twee millioen jaar oude man die de collectieve wijsheid ten dienste van de overleving beheert. Het Zelf is geneigd tot dynamiek, tot verandering en herbeoordeling van de bestaande toestand. Het is onderworpen aan de dimensies tijd en ruimte. In dit integratieve centrale archetype zijn naast ontbindende neigingen ook integrerende, opbouwende neigingen actief. De ‘blauwdruk’ van de persoonlijkheidsontwikkeling, die bij de geboorte is gegeven, wordt , zoveel als de omstandigheden dit toelaten, door sturing van dit archetype tot realisering gebracht. Het Zelf functioneert als een gids door het leven. In de elke levensfase wordt de passende archetypische kracht aan het bewustzijn aangeboden opdat die daar in het bewustzijn wordt geactualiseerd en zo de ontwikkeling verder brengt. Dit proces wordt met individuatie* aangeduid. Het ervaren van een funtionerend Ego-Zelf-as brengt de zinvolheid van het leven in het bewustzijn. Het Zelf is de bron van dromen waardoor het met het Ego communiceert.
Schets van het Seminar 1925
Op het Seminar over Analytical psychology in 1925, gepubliceerd in 1990, geeft Jung een overzicht van de psychische structuur. Op het diagram (afbeelding schema VI) vindt U een visuele neerslag van zijn betoog.
- Van boven naar beneden vindt U bij (a) het individu. Deze voorstelling veronderstelt een duidelijke individualisering. Het beeld is dat van de top van een berg die uit de zee omhoog komt;
- De tweede laag is die van de familie. In nietwesterse landen is de familiegroep hecht en is alleen het familiehoofd geïndividualiseerd;
- De derde laag is die van de clan, waarin een aantal families is geclusterd;
- De vierde laag is die van de stam, het volk of natie, die door verwantschap, taal, belangen en een rechtsorde (b.v. adatrecht) samenhangen;
- De vijfde laag wordt gevormd door een groep van naties, zoals de West-Europese naties waarvan de culturen duidelijk waarden en normen gemeen hebben;
- De zesde laag is die van de verwante dieren die in dezelfde orde van zoogdieren, t.w. de primaten voorkomen. Dit veronderstelt een acceptatie van de evolutieleer van Charles Darwin;
- De zevende laag wordt gevormd door de dierlijke voorouders in het algemeen;
- De onderste laag toont het ‘Centrale levensvuur’ dat tot in het individu doordringt.
Literatuur
- Seminar Analytische psychology held in 1925, published in 1990. Dit boek maakt deel uit van de Collected Works of C. G. Jung.
- C. G. Jung Het Ik en het onbewuste . Servire later Lemniscaat. 1977.
- Dr Jolan Jacobi De psychologie van C. G. Jung. Een samenvattend overzicht vande leer van Jungspsychologie.
